SLA|Avier

Stichting Literaire Activiteiten Avier

Tien voor Vrouwkje Tuinman: Ik geloof niet dat ik ironie/humor zo expliciet toepas.

 

1.Dag Vrouwkje, hartelijk dank voor het typoscript van je in september bij uitgeverij Cossee te verschijnen bundel Sanatorium, een veelbelovende titel. Waar mag de lezer zoal van herstellen?

 

Is de lezer ziek, dan? Dat is niet aan mij om te bepalen. En dat is deels ook waar de bundel over gaat: de glijdende schaal tussen ziekte en gezondheid. Bewust en onbewust gaan veel mensen er van uit dat het gegeven, dat het leven eindig is, niet geldt voor henzelf en hun naasten. Of dat op zich een kwaal is die genezen zou moeten worden, weet ik niet. Misschien dragen precies dit soort patronen bij aan zingeving.

 


 


 2.Zingeving? Zingeving binnen de poëzie? Heeft poëzie zin? Waarom schrijf je eigenlijk? 

 

Nee, zingeving in het leven. Omdat immers, als het leven ‘eindig’ is, en helemaal als dat eindige dichtbij komt, ‘het toch allemaal geen zin meer heeft’. Ik citeer nu niet mijn eigen mening, maar een cliché. Clichés zijn vaak waar.

Poëzie heeft, net als bijna alle menselijke uitingen, in mijn ogen niet per se zin. Niet voor iedereen, sterker nog, voor de meeste mensen niet. En voor sommige wel. Dat is persoonlijk. Net als de wens om te schrijven in mijn geval persoonlijk, zeg maar gerust egocentrisch is. Ik schrijf omdat ik graag schrijf. In de basis gaat dat er altijd om dat ik probeer iets specifieks zo precies mogelijk te verwoorden. Het schrijven is het beantwoorden van de vraag of ik dat kan.

 

3.In Sanatorium gaat het nogal eens over ‘verval’. Althans meer dan over ‘herstel’, zoals de titel een beetje doet vermoeden.  Waar komt die fascinatie vandaan? Wil je het verval naar je toeschrijven, er erkenning voor vinden? 

 

Mijn laatste drie boeken gingen heel specifiek over dood en rouw, en daar ligt ook al enige jaren (om precies te zijn sinds mijn beste vriend verongelukte) mijn interesse. Op een gegeven moment heeft die interesse zich verplaatst naar het verlangen langer te leven, eeuwig misschien zelfs. Bewust of onbewust gaan we er vrijwel allemaal van uit dat ziekte en dood iets zijn dat ons niet overkomt. Elke dag ontvouwt zich opnieuw de toekomst, als een onbeperkte hoeveelheid tijd. Op de momenten dat we ons bewust worden van het tegendeel, proberen we daarmee te marchanderen. Door superfoods te eten. Door onze rimpels weg te laten spuiten. Of medische behandelingen op elkaar te stapelen. Langer leven wordt dan een levensdoel op zich. Ik vind dat ook interessant omdat het maar zeer de vraag is of we zo’n eindeloos leven wel kunnen en willen vullen. Ook: de invulling van begrippen als verval en herstel is beweeglijk, particulier en amorf.

 

4.In het gedicht MEDISCH WONDER beschrijf je de dood van je vader. Een ontroerend gedicht, met rake observaties, maar waarbij toch ook een glimlach niet valt te onderdrukken. Pas je humor of ironie toe om de boel dragelijk te maken? Voor de leesbaarheid zal ik het gedicht citeren.

 

Ik weet niet exact waaraan mijn vader

uiteindelijk is gestorven, maar hij had

echt alles. Suiker, kanker, gordelroos, koliek.

Zijn hoofd werd vanbinnen langzaam opgegeten.

Aan de buitenkant zag je alleen die wijnvlekken

maar in zijn borstkas zat iets klem.

Aan al die defecten kun je volgens Freud

betekenis ontlenen. Helemaal omdat

hij zelden klaagde. Niet over de ziektes.

Alleen over alles dat door anderen kwam.

Daar heb je het al: het hart de prostaat,

de plekken waar het lichaam zaken

opslaat die het daglicht niet verdragen.

De suiker als compensatie voor zijn

bittere adem, de gordelroos om hem niet langer

aan te hoeven raken. Tenslotte was de schedel

leeg en won de wereld van mijn vader.

 

 

Ik geloof niet dat ik ironie/humor zo expliciet toepas. Het is meer zo dat ik de dingen nu eenmaal opschrijf zoals ik ze zie, hoor, meemaak en ervaar. Bovenstaand gedicht ontstond heel eenvoudig als lijstje – ik vroeg me af waar mijn vader ook alweer allemaal aan leed. Vermoedelijk mede geholpen door de afstand, hij is al overleden toen ik 16 was, zag ik onmiddellijk een soort logica ontstaan. Het meest ‘grappige’ zinnetje zou kunnen zijn ‘hij had echt alles’. Ik zie geen reden om zo’n regel wolliger in te kleden, meer beladen te maken. Meestal is de eenvoud al beladen genoeg, vaak zijn de ironische regels tegelijkertijd de meest emotionele. Voor wie het wil zien.

 

5.Er zijn wel mensen die de tranen zien. F. Starik schreef over jou: ‘Vrouwkje Tuinman kan niet huilen. Maar ze weet wel hoe je iemand aan het huilen brengt.’ Heeft hij misschien gelijk?

 

Als ik voorlees zie ik ook geregeld huilende mensen. Achteraf blijkt dan vaak dat het de alledaagsheid van mijn beelden was die maakte dat ze wat oproepen.

 

6.Maar de vraag was of Starik gelijk heeft. Kun jij niet huilen? In het katern Gesloten Afdeling schrijf je tranentrekkend over een schoonmoeder die advocaatjes weglepelt, terwijl ze zich afvraagt of ze nog wijn heeft. Een gedicht later heeft een schoonmoeder dozen vol ansichtkaarten, maar geen postzegels. Waar komen deze observaties vandaan?   

 

Uit de werkelijkheid. Ik bezoek vrij geregeld mijn schoonmoeder in het verpleeghuis. Het is een fijn tehuis, vol leven, biljartende mannen uit de buurt, een goedkope bar en veel gezelligheid. En vol dementerenden. Ik hoef daar zelf niet om te huilen. Mijn schoonmoeder soms wel, op momenten dat ze beseft dat ze het allemaal niet op een rijtje heeft. Dit weekend las ik de reeks gedichten over het verpleeghuis voor op Vlieland. Na afloop kwamen diverse mensen vertellen dat ze hadden moeten huilen. Niet om mijn schoonmoeder, maar om hun eigen vader of broer. Ik geloof dat deze gedichten niet oordelen over het leven met Alzheimer. Ook niet emotioneel (door zelf te gaan huilen, al dan niet op papier). Eerder schets ik wat ik zie.

 

7.Een fijn tehuis, omdat er gebiljart wordt en er een goedkope bar is? En veel gezelligheid? Dit komt toch een beetje ironisch over. Eerder zei je dat je ironie niet expliciet toepast in je werk.

Laat ik het nu melancholie noemen. Hoe zit dat in jouw leven? En hoe klinkt dat door in je werk?

 

Wellicht ken je niet veel verpleeghuizen. Ik ken er een aantal. Op te veel plekken worden grote afdelingen van tientallen hulpbehoevende mensen draaiende gehouden door één overwerkte en onderbetaalde verpleegkundige. Hier niet. Ik bedoel het dus gewoon letterlijk, en de kern is het gedeelte dat je niet citeert, ‘vol leven’. Dementerenden bewegen zich in dit tehuis tussen buurtbewoners, schoolkinderen en passanten. Daar is niets ironisch of melancholieks aan, dat is een geschenk en een geruststellende gedachte: dat het nog steeds ook zo kan.

Ik geloof dat je vraagt of ik melancholiek in het leven sta. Volgens mij niet meer of minder dan anderen.

Ik schrijf over dingen die me interesseren. Na het overlijden van mijn beste vriend en zijn partner is dat nu al 5,5 jaar dood, rouw, eindigheid en het gevecht daartegen. Niet vanuit een melancholieke inborst, bij mijn weten, maar omdat de onderwerpen me oprecht bezighouden. Ik lees er veel over, bezoek plekken die me intrigeren. Voor deze bundel onder meer een kunstogenlaboratorium en een dodenmaskeratelier, voor het huidige nummer van Hollands Maandblad een bijeenkomst van cryonisten. Ik probeer dingen te begrijpen, ook als ik de motivatie ertoe zelf niet deel (lelijke zin, maar wel wat ik bedoel).

 

8.Wat heb je opgestoken van de bijeenkomst van cryonisten? En wat van de bezoeken aan het kunstogenlaboratorium en het dodenmaskeratelier?

 

Samenvattend: dat de grens tussen dood en leven voor ieder op een andere plek ligt.

Een dodenmasker biedt een ‘levensecht’ beeld van een overledene. In het gedicht vraag ik me, met de maker van de objecten, af welke functie ze krijgen bij de nabestaanden. Daar had hij namelijk geen idee van – het is bij uitstek een vak waar je nooit eens respons krijgt van je klanten.

Bij een oogprothese is het idee dat het ‘dode’ en het levende oog als gelijkwaardig worden ervaren. Door anderen, degenen die je aankijken, maar ook voor de drager, die gedurende de dag wil vergeten dat hij het oog heeft ingebracht en straks weer zal verwijderen.

De cryonisten zijn het ook onderling niet helemaal eens over wanneer dood ook echt dood is. En over hoeveel kans op een tweede leven invriezen daadwerkelijk biedt. Terecht geven ze aan dat het een glijdende schaal betreft. Nog niet zo lang geleden zou niemand hebben geloofd dat het mogelijk was een bevruchte eicel na jaren in een vrieskist tot leven te wekken en te doen uitgroeien tot een mens. Nu is het ‘gewoon’ geworden. Hun argument is dat we niet weten wanneer de technologische grenzen zullen worden bereikt. Wat je wel weet, is dat wie zich laat cremeren of begraven, geen enkele kans maakt op een tweede leven. Dat lijkt mij een rustgevende gedachte, maar daar is niet iedereen het mee eens.

Het echte antwoord op je vraag staat in de bundel en in Hollands Maandblad.

 

9.Op donderdag 18 september zal je bundel gepresenteerd worden. Het eerste exemplaar zal door Hans Dorrestijn in ontvangst genomen worden. Vanwaar Hans Dorrestijn? 

 

De laatste jaren kruisen onze paden elkaar geregeld en we hebben een onregelmatige maar prettige briefwisseling. Hans Dorrestijn heeft een ruime ervaring met ziek en gezond zijn en daarover schrijven. Hij maakt ‘voorstellingen waar de hypochondrie van af druipt’, las ik zelfs in een recensie. Maar eerlijk gezegd vind ik het ook gewoon gezellig om hem met de auto op te halen, thee te drinken en bij te praten. 

 

10.Tenslotte Vrouwkje, wat vind jij van de, onlangs door Johanna Geels geponeerde, stelling dat de poëzie ballen een street cridibility (en heel veel wijsheid) nodig heeft?

 

Daarin verschilt poëzie niet van de rest van het leven. En aan al die ingrediënten hangt voor mij het besef dat er niet één manier/recept/waarheid/etc is. Ook voor de rest van het bestaan.

 

 

Jan Holtman in gesprek met Vrouwkje Tuinman, september 2014