SLA|Avier

Stichting Literaire Activiteiten Avier

Tien voor Bart FM Droog:

 Foto: Revan Barlas

 

1.Dag Bart, dank voor je bundel Zeewaarts! Een krachtige titel voor een bundel die al uit is voor we de haven verlaten hebben. Slechts elf gedichten. Wat is hier aan de hand?


De uitgever – Ton van 't Hof – wilde een boek van me uitbrengen dat in de reeks Amsterdam Renaissance Chapbooks zou passen  – een  boekenserie bestaande uit boeken van circa twintig pagina's.  Ook wilde hij dat Zeewaarts! enkel gedichten met een uitgesproken noordelijk karakter zou bevatten. Dat enerzijds. Anderzijds: veel bundels bevatten naar mijn smaak te veel gedichten. Een bundel wordt niet beter naar mate er meer of zeer lange gedichten in staan. Je kan beter scherp selecteren voor een optimaal, zo
 compact mogelijk resultaat. Dat resultaat betekent voor mij poëzie met een bonkend hart, poëzie die leeft, die iets te zeggen heeft. Zoiets.   


Want uiteindelijk blijven er maar een paar gedichten over,  als de decennia een oeuvre hebben uitgeslepen tot enkele diamanten. Waarom dat slijpen aan de tijd overlaten, als je het zelf ook kan doen? Natuurlijk: dat slijpen gebeurt uiteindelijk vooral door anderen – maar je kan hen veel overbodige poëzie besparen door scherp voor te selecteren.

 

2. Een interessante theorie. Vind je dat er te veel voor de vuist wordt weg geschreven? En kun je voorbeelden noemen van waar het wel wat minder mag?

Dat er te veel geschreven wordt wil ik niet zeggen – je kan alleen maar schiften áls er geschreven is. Maar dat er te veel gepubliceerd wordt – ja. Neem de goed besproken bundel van Andy Fierens, Wonderbra’s & Pepperspray (2014). Daarin staan deze prachtige regels, in het gedicht ‘haast en spoed’ (blz 61):

maar al past mijn wereld in een vingerhoed
en ben ik trager dan de rest, ik ben nog lang
niet uitgeteld, ik wil passie, ik wil lef en ik
zal blijven wroeten. Dag na dag, bij elke stap

Deze vier regels zijn zo mooi, zo treffend, zo vol zelfspot, broosheid en ook moed dat ze wat mij betreft de rest van de bundel overbodig maken. Dit verschijnsel kom ik vaker tegen: juweeltjes die verdrinken in een gedichtenzee, en dat is jammer.  Zoals bijvoorbeeld het gedicht ‘Afspraak’, van Thomas Möhlmann uit diens bundel Waar we wonen (2013). Dat begint – bijna – ijzersterk. De eerste twee regels hadden volgens mij beter weggekapt, net als regels vijf, zes , zeven, tien elf en twaalf en de hele tweede, derde en vierde pagina. Want wat dán overblijft is dit diamant:

iemand wees naar een steen en zei steen
iemand velde een boom en zei hout

iemand wees naar een vuur en zei vuur
iemand bakte een dier en zei vlees

iemand wees naar de sterren en zei
ik zal voor altijd bij je blijven
.

Dit is de essentie van het gedicht – de rest is eindeloos geëmmer, bijna drie pagina’s herhaling. Dat doet het misschien leuk op het podium, maar om dat in een boek te doen, nee.

Je kan het natuurlijk ook overdrijven: een van de dichters van de mij meest aansprekende gedichten is Herluf van Merlet (pseudoniem van Herluf, baron van Lamsweerde, 1900-1965). Journalist, filmkenner en dichter.  Was in de oorlog politiek gevangene. Hij publiceerde– uit twijfel en bescheidenheid – juist te weinig. Neem dit:

Hij voelde in de biechtstoel zich bedorven vlees
waarin de vliegen van gebiechte zonden paarden;
God sprak door zijn mond het ‘Absolvo te’;
zij vlogen weg met levens vol verspilde jaren.

(openingsregels uit het gedicht ‘De pastoor van Ars’, uit de bundel  Binnen bereik (Nijgh & Van Ditmar, ‘s-Gravenhage-Rotterdam, [1965]). Onweerstaanbaar prachtig! Verdomd jammer dat deze dichter zo weinig gepubliceerd heeft. 

Anyhow, terug naar de overproductie. Het systeem van projectsubsidies (vroeger ‘werkbeurzen’ geheten), van de Letterenfondsen in Nederland en Vlaanderen is mede schuld aan de bijkans onverantwoord hoge titelproductie. Het Nederlandse Letterenfonds – aanvankelijk Fonds voor de Letteren geheten – is medio jaren zestig opgericht om de financiële positie van auteurs te verbeteren. Ergens heeft men vervolgens de fout gemaakt om als tegenprestatie voor de financiële ondersteuning een boek te verlangen. Op zich klinkt zo’n tegenprestatie logisch , maar dat is het niet.

Denk aan de BKR. De regeling waarbij Nederlandse beeldend kunstenaars als tegenprestatie voor financiële ondersteuning geregeld werk aan de overheid moesten leveren. Die veroorzaakte  een overdaad aan veelal bloedeloze kunstwerken, waardoor de overheid tot op de dag van vandaag kampt met uitpuilende kunstopslagruimtes.

Vanwege die subsidies dienen veel dichters (ik heb het hier specifiek over dichters; omdat het samenstellen van een dichtbundel toch echt een ander proces is dan het schrijven van een roman) jaarlijks of tweejaarlijks een aanvraag in, of ze nu echt iets te melden hebben of niet. En, ergerlijker nog, of ze dat geld nu echt nodig hebben of niet – de inkomensdrempel voor die werkbeurzen ligt zo hoog (op € 45.000!) dat zelfs dichters met een bovenmodaal inkomen aanspraak kunnen maken op een werkbeurs.

Dit zou dus echt anders moeten – hoe precies weet ik niet, maar om werkbeurzen uit te reiken voor bundels waar vrijwel niemand op te wachten zit en aan mensen die dat geld absoluut niét nodig hebben, is precies niét waarvoor dat Fonds ooit is opgericht: het verbeteren van de inkomenspositie van armlastige auteurs.

De poëzie die blijft, blijft omdat er vraag naar is. Niet omdat er een overaanbod bestaat, juist niet.

 

3. De vraag is dan natuurlijk wie dat gaat bepalen en voor welke nog te verschijnen bundel wel en voor welke niet een werkbeurs uitgereikt zal worden. Heb je enig idee wie dat dan zou moeten doen? Een waarom zouden dichters werkbeurzen moeten krijgen? Levert dat betere poëzie op?

 

In principe iedereen met hart voor de literatuur, behalve auteurs, uitgeverijmensen en/of vrienden / vijanden / kennissen / zakenrelaties van de aanvrager of diens uitgever. Wat in de praktijk zou neerkomen op leden van leesclubs, boekhandel- (die weliswaar zakelijke relaties hebben met veel uitgeverijen, maar nooit van één uitgeverij afhankelijk zijn en zich dus in deze onafhankelijk kunnen opstellen) en bibliotheekmedewerkers en/of natuurlijk ongebonden literatuurliefhebbers. Je kan je afvragen: waarom geen journalisten? Simpel: journalisten horen niet in commissies – dat beneemt ze de vrijheid om objectief over besluiten van commissies te berichten. Bovendien: heel veel journalisten zijn in dienst van grote uitgeefconcerns, die naast kranten ook literaire werken uitgeven, al dan niet door verschillende dochtermaatschappijen. Wat weer het gevaar van belangenverstrengeling met zich meebrengt.

Voor welke nog te verschijnen bundels wel en welke niet een werkbeurs uitgereikt zal worden is een veel lastiger vraag. Ik weet daarop geen antwoord, dan: misschien moeten we wel helemaal af van het systeem dat beurzen worden uitgereikt voor nog te schrijven boeken. Waarom niet veelbelovende jonge auteurs, naar aanleiding van meerdere publicaties in on- of offline tijdschriften, bescheiden stimuleringsbeurzen geven waardoor ze bijvoorbeeld een nieuwe typemachine met een ruime voorraad papier, lint en typex kunnen kopen. En auteurs die al langer bezig zijn, wier werk een zekere publiekswaardering kent maar dat niet de bestsellerstatus heeft, bescheiden beurzen geven zodat ze de telegraafverbindingen kunnen onderhouden en de dakgoot repareren.

Met nadruk zeg ik: “bescheiden beurzen”, en alleen voor auteurs met inkomens van minder dan € 10.000,-. Want elke auteur heeft zat mogelijkheden om bij te verdienen, behalve het zeldzame soort dat én incontinent én bedlegerig én reumatisch én verder nooddruftig is.

Je vraag of zo’n werkbeurs betere poëzie oplevert laat zich simpel beantwoorden: nee. Mijn beste gedicht bijvoorbeeld is geschreven zonder werkbeurs en had mét een werkbeurs niet geschreven kunnen worden. Zie maar:


 

Benzine, benzine

Merk dagen van andere kant
slaap als mensen waken, werk
bij het woelen van volk in volle
verre wijken, uitgeweken leef ik


in mijn coole wagen zakenblauw

de hits die me raken te draaien
bij het steady cruisen door dit
bloeddronken continent

zoek ik niets, verwacht nog minder
dan een vroeg geruimd graf
honden die mijn botten knauwen
en een vrouw die niet vergeten kan.

 

Uit: Benzine, Passage, Groningen, 2000. Tweede druk 2013.

Dit schreef ik toen ik als barkeeper in Muziekcafé Koekkoek te Groningen werkte. Daar was ik aanvankelijk drie nachten in de week werkzaam, van 1997-2000. Met het loon dat ik er verdiende en met de inkomsten uit optredens en losse schrijfopdrachten kon ik overleven. Als ik toen een werkbeurs gehad zou hebben, had ik niet ‘s nachts hoeven te werken en had ik dus nooit bovenstaande geschreven kunnen hebben. Voor de bundel kreeg ik wel – na publicatie – een aanvullend honorarium van het toenmalige Fonds voor de Letteren. Dat was, als ik het me goed herinner,  fl 5000,-. Omgerekend naar nu zou het circa € 2991,22 zijn.

Dat bedrag stelde me toen in staat een nieuwe computer met internetverbinding te kopen. En van wat overbleef konden nog wat leuke dingen gedaan worden. Misschien dat we weer terug moeten naar dat oude systeem – eerst achteraf belonen, niet van te voren.

 

4.Juist. Maar als dichters tot het ondernemersgilde gaan behoren, is het dan niet logisch dat er vriendjespolitiek wordt bedreven? Eerder noemde je De Dichters uit Epibreren. Een ietwat luidruchtig gezelschap, dat toch nauw verbonden was aan Rottend Staal, de online poëziekrant waar jij destijds redacteur was. Wat is er eigenlijk mis met vriendjespolitiek?

     

Er is een verschil tussen vriendjespolitiek en vrienden die samenwerken. Vriendjespolitiek staat gelijk aan corruptie en belangenverstrengeling, betekent dus: incrowdgedoe en dat is de dood in de pot. Samenwerking, met vrienden of niet, betekent: de krachten verenigen. Wat goed is, zolang je open durft te staan voor nieuwe invloeden, voor nieuwe mensen.

Het poëzie- en muziekgezelschap De Dichters uit Epibreren (1994-2011) begon niet als vriendenclub, maar als samenwerkingsverband van toevallig bijeengekomen individuele dichters en muzikanten. Een van hen was ik. Ik had toen al een eigen beheer uitgeverijtje: Rottend Staal Publicaties (sedert 1993).  Deze ‘uitgeverij’ gaf van 1995-2000 het poëzietijdschrift ‘De Rottend Staal Nieuwsbrief’ uit. In 2000 besloten we om voor Epibreren, voor promotionele doeleinden, een website te bouwen: www.epibreren.com

Toen het promogedeelte af was, kwam ik op het idee om het tijdschrift óók op de site onder te brengen, en dan niet als periodiek dat eens in de vier maanden ververst werd, maar als digitaal dagblad, met elke dag nieuws en regelmatig nieuwe gedichten. Aanvankelijk leverden de medewerkers van het voormalige papieren tijdschrift de gedichten – dichters als Adriaan Bontebal, Tsead Bruinja, Serge van Duijnhoven, Andy Fierens, Ruben van Gogh, Willem Groenewegen, Ingmar Heytze, Tjitse Hofman, Dorpsoudste de Jong, Didi de Paris, Hans Plomp, Hannie Rouweler, Albertina Soepboer, Arjan Witte, Menno Wigman. Later, toen het poëziedagblad goed liep, werkten ook uiteenlopende dichters als Eva Cox, Piet Gerbrandy, Gerrit Komrij, Louis Th. Lehmann, Jane Leusink, Ramsey Nasr, Diana Ozon, Simon Vinkenoog, Chawwa Wijnberg, Nachoem M. Wijnberg, Henk van Zuiden, Joost Zwagerman en vele anderen mee.

 Elk van deze dichter kreeg een eigen internetpagina, met contactinformatie – waardoor het publiek ( onder hen ook organisatoren en journalisten) heel makkelijk dichters kon bereiken, zonder tussenkomst van uitgeverijen en/of boekingsbureaus. Vriendjespolitiek? Nee – want Rottend Staal poogde zo breed mogelijk over poëzie en aanverwante zaken te  berichten en bracht een zo breed mogelijke keuze uit vooral eigentijdse Nederlandstalige poëzie.

 

5.Mooie namen in het rijtje. Maar wat ging er mis?

 

Na ruim vijf jaar dagelijks het poëzienieuws verzorgen was ik opgebrand.

 

6.Juist. En wat doe je nu? Ben je verbolgen? Is je iets aangedaan en schrijf je nog gedichten? 

Dat is geen één 'vraag 6', dat zijn vier 'vragen 6'. Maar goed, jij roept, ik antwoord. Vanaf 2011 werk ik aan de online Nederlandse Poëzie Encyclopedie (NPE). Of beter gezegd; ik was daar in 1999 mee begonnen, met aanvankelijk als doel een papieren naslagwerk uit te brengen. Door de Epibreren-site werd dit project in 2001 op de lange baan geschoven. Maar juist door het werken aan die site deed ik veel ervaring en contacten op én kreeg ik een veel bredere blik op de Nederlandstalige poëzie. 

Medio 2011, toen ik overdacht wat ik in de rest van mijn verblijf op deze planeet wilde doen, pakte ik het Encyclopedieproject weer op. Met als resultaat: www.nederlandsepoezie.org. Een werk-in-uitvoering, dat desalniettemin nu al goed is voor  ruim 80.000 unieke bezoekers per jaar.  De NPE behandelt Nederlandstalige dichters, in leven op of na 1 januari 1900. Alsmede dichtbundels van hun hand en poëziebloemlezingen, die verschenen/verschijnen bij professionele uitgeverijen. 

Daarnaast doe ik onderzoek naar de verliezen van de Royal Air Force in de Tweede Wereldoorlog, vooral de periode mei-juni 1940.   

Of ik verbolgen ben? Soms. In beide betekenissen van het woord. In ieder geval niet constant – ben eerder continu verbaasd over wat ik allemaal tegenkom bij het brede NPE-onderzoek.  Of me iets is aangedaan? Zoals...???    

En ja, ik schrijf nog gedichten. En verdomd sterke, al zeg ik het zelf. Zoals deze, gebakken te Eenrum, aan de rand van het Groninger aardbevingsgebied:

Bodemschatting

Wie de aarde op waarde schat
weet dat wat gewonnen wordt
ergens ook verloren gaat, geen

stof kan gedolven zonder golven
de grond zal splijten de geesten
verblind door blinkend goud

drijven boren dieper en dieper
pompen bodem tot giga gaping 
zo verbouwen we huizen tot gruis.


7.Een fraai gedicht! Maar die Nederlandse Poëzie Encyclopedie… Dat lijkt me een tijdrovende klus. Doe je dat alleen en hoe wordt het project bekostigd?

 

De hoofduitvoerder ben ik – maar het werk zou niet gedaan kunnen worden zonder een heel team van redacteuren en medewerkers. In het bijzonder wil ik Jurgen Eissink, die van eind 2011 tot begin 2014 bergen werk verzet heeft, en Stefaan Goossens, tevens bibliothecaris van het Poëziecentrum Gent, noemen.  Alsmede fotografen Bert Bevers en Kasper Vogelzang, die een groot aantal dichtersportretten hebben gemaakt. Het project wordt bekostigd uit subsidies en donaties.  En, niet geheel onbelangrijk, voor een groot gedeelte uit eigen zak.

 

8.Wat voor ervaringen en contacten deed je op tijdens dit werk? Je kreeg een bredere blik op de Nederlandse poëzie. Schoot de dikke Komrij bloemlezing daartoe te kort?  

De belangrijkste ervaring is wel het realiseren dat één bron géén bron is, twee bronnen nauwelijks één bron vormen, drie bronnen een beetje mager zijn. Eigenlijk kan je pas bij vier of meer bronnen ervan uitgaan dat de informatie klopt – maar zelfs dan blijft het nog uitkijken. 

Neem bijvoorbeeld het geval Jeannette Nijhuis. Ze was dichter, prozaïst en vertaler en leefde van 1874-1938. In 1928 maakte ze de eerste Nederlandse Dracula-vertaling, een vertaling  die pas in 1968 door een nieuwe versie vervangen werd.  De Vlaamse literatuurwetenschapper Rob Roemans meende in 1932 dat haar naam een pseudoniem zou zijn van de Vlaamse toneelschrijver Herman Teirlinck. Deze misvatting publiceerde hij en deze 'vondst' werd nadien keer op keer door anderen overgenomen. In dit geval lijkt er sprake van meerdere bronnen, die bevestigen dat achter Nijhuis Herman Teirlinck school. Maar... alle latere bronnen baseren zich op de eerste bron, Rob Roemans in 1932.  

Dit voorbeeld laat zien hoe een vergissing of foutje decennia lang kan doorwerken. Dus steeds als we iets tegenkomen waarvan we denken 'hè?', proberen we  vroegere bronnen te vinden dan de eerste bron die in de literatuurgeschiedenis opduikt. Bijvoorbeeld door in de burgerlijke stand-archieven te duiken of – bij twijfelachtige dateringen –  in contemporaine kranten, tijdschriften of in de Brinkman's Catalogus van een bepaald jaar te zoeken. 

Omdat de NPE de gehele breedte van de  (semi-)professionele poëzie bestrijkt –  van de traditionele tot de experimentele, van de zwaar-religieuze via de concrete tot de zweverig esoterische – en we waar mogelijk de medewerking van de dichters en/of hun erven, van fotografen, van archiefbeheerders en van specialisten op dit of dat vlak zoeken, spreekt het voor zich dat we uitermate veel contacten opdoen. 

Een encyclopedie is natuurlijk iets anders dan een poëziebloemlezing. Een bloemlezing – ook De Dikke Komrij – is vooral een uiting van de smaak van de samensteller.  Bij het samenstellen van een bloemlezing speelt ook nog eens de toestemming van de dichters een rol: iemand als Gerard Reve, die toch een paar klassieke gedichten heeft geschreven, vind je daarom bij Komrij niet terug. 

Komrij gruwde van 'religieuze' poëzie – daarom bij hem geen spoor van Nel Benschop en de andere makers van 'pastorale' verzen'– een genre dat in het laatste kwart van de 20ste eeuw bijzonder populair was en dat qua literaire kwaliteit beslist niet onderdeed voor veel andere soorten poëzie die Komrij wél opnam. 

Het grootste manco aan De Dikke Komrij is evenwel niet wat Komrij al dan niet opnam, maar hoé hij het opnam.  Hij zette alle gedichten over naar de recentste spelling. Ik denk dat je dat juist niét moet doen, omdat je daarmee de gedichten verminkt.  Voor mij als dichter is het woordbeeld heel belangrijk. Er zit dus een groot verschil tussen 'manco' (zoals we dat nu schrijven) en 'manko' (zoals je dat in de jaren '60 en '70 tegenkwam.  Idem dito voor 'doden en 'dooden', als in Jan Camperts  'Het lied der achttien dooden' – dat overigens in de Dikke Komrij ontbreekt. 

Nu mag het lijken dat ik hiermee Komrij's dikke bloemlezing naar de schroothoop verwijs, maar dat doe ik absoluut niet: het is een belangrijk werk, dat héél véél informatie bevat. Maar ook héél véél informatie niét bevat – wat logisch is, want Komrij heeft nooit de intentie gehad om een alles omvattende overzichtsbloemlezing te maken. 

Komrij's voorganger, Victor E. van Vriesland had die intentie wel: hij wilde in zijn Spiegel van de Nederlandse poëzie (diverse edities, die verschenen van 1939-1968) eigenlijk werk van alle dichters van enig belang opnemen.  Maar... beslist geen dichters die in de oorlog gecollaboreerd hadden. Dus ook bij hem vind je geen totaalbeeld. 

 

9.Beschouw je de NPE als jouw levenswerk of heb je nog meer in petto?

De tijd zal het leren. 

 

10. Dan zal ik de tijd proberen te volgen! 

Mooi – en dan nu terug m'n tijdmachine in, want ik heb juist iets zeer urgents ontdekt over de dichtende oorlogsmisdadiger Jan Hoogensteijn (va. 1915 – ?) en vandalisme in het Rotterdam van 1926.


Jan Holtman in gesprek met Bart FM Droog, februari 2015