SLA|Avier

Stichting Literaire Activiteiten Avier

Tien voor Heidi Koren

1.Dag Heidi, dank voor de bundel GEDACHTEN OVER EEN MOGELIJK EINDE. Om maar meteen met de deur in huis te vallen: Waarom schrijf je eigenlijk?

Die vraag moet ik in gedeeltes beantwoorden. Voor mij verschilt het namelijk van genre tot genre. Ik schrijf poëzie om een gedachte in zijn geheel te kunnen volgen, tot het einde. Daarin is het voor mij van belang om zo dicht mogelijk bij de kern van wat ik wil zeggen te komen en zo dicht mogelijk bij mijzelf te blijven. Ik schrijf proza om de ander te kunnen zijn. Ik schrijf essays of “stukjes” omdat ik zo overtuigd kan zijn van mijn eigen gelijk dat ik het iedereen door de strot wil duwen, op een hele geciviliseerde manier en ik schrijf voor kinderen om zelf kind te kunnen blijven. Er is immers niets leuker dan plassenstampen.

2.Juist! Je zet nooit een punt, schrijf je in het openingsgedicht. ‘Pas aan het einde van alles en jij begrepen hebt, waarover je vraagtekens hebt gedacht’. Wat hoop of verwacht je dan begrepen te hebben? 

Precies, een punt zetten betekent dat je het zeker weet. Voor mij is het zeker weten, je niet langer openstellen voor andere mogelijkheden. Aan het einde van alles, hoop ik die behoefte te hebben losgelaten en te hebben geaccepteerd dat het niet allemaal te begrijpen is.

3.Wat is je dan zoal bij het leven nog niet geheel duidelijk? 

Ach er is mij zoveel niet geheel, of in zijn geheel niet duidelijk. Hoe het moet bijvoorbeeld, leven. Hoe zorg je dat je eruit haalt wat erin zit? Ik voel me zo vaak opgejaagd omdat ik me voortdurend bewust ben van het feit dat de tijd eindig is en ik wil zo veel.  En tegelijkertijd doe ik niets liever dan stilstaan; de wereld aan me laten voorbijtrekken als een schip op de Waal. 

4.ja, hoor eens even, het beste uit het leven willen halen, en gelijktijdig stil willen staan?  De wereld aan je voorbij laten trekken als een schip op de Waal? Bedien je je hier nu van metaforen bedoeld voor kleine meisjes wier boterhammen men in reepjes snijdt? 

Dat zijn drie vragen. Er zit geen contradictie in het beste uit je leven willen halen en tegelijkertijd stil willen staan, dus vanwaar je verbazing? De wereld aan je voorbij laten gaan als een schip op de Waal is erg prettig. De ontwikkelingen in de wereld en het wel en wee van 7 miljard mensen zijn immers nauwelijks te volgen. Jezelf de ruimte geven om je tijdelijk af te sluiten voor deze wereld is bijzonder prettig en voor mij ook pure noodzaak. Oh en ja ik bedien mij misschien wel van metaforen waar jij met je literaire honger geen boterham van kan smeren maar de taal staat in dienst van mij en niet omgekeerd, waarmee ik alleen maar wil zeggen dat ik schrijf om mij uit te drukken en niet om de originaliteitsprijs mee te winnen. Nou jij weer.

5.Hoe doe je dat? Het beste uit je leven willen halen? Door in een boekhandel te werken? En die stilstand? Door poëzie te schrijven? ‘Zweven boven het alles’ ? Dromen? Ter illustratie het titelloze gedicht op pagina 7 uit je bundel.
 

Ik denk wel eens aan astronauten
aan hangen boven de vissenkom

zwemmen in het niets
hapjes lucht nemen

aan hoe ik vroeger op kon stijgen uit mijn bed
mijn kleine slaapkamer uit

de schoorsteen door
zweven boven het alles

dat ik mij voornam het koordje van mijn pyjama
vast te knopen aan de poot van mijn ledikant


Tja het is wel mooi dat je dat vraagt, het zet mijzelf ook even aan het denken. Ik zag pas een item op tv over kinderen en speelgoed. Dat ze zoveel hebben en steeds meer krijgen. Het waren bijna schókkende beelden, die kleuters te midden van een bult plastic in schreeuwende kleuren. Momenteel draait er tussen alle programma’s wel een vakantiereclame: vlieg naar een eiland om je een week lang vol te vreten en op te laden! 
Maar waarom hebben wij al die troost eigenlijk nodig? 
Alles uit het leven halen heeft voor mij steeds meer te maken met zo dicht mogelijk blijven bij wie ik ben. In mijn dagelijks leven betekent dat inderdaad dat ik mij heb losgemaakt van een baan waar ik knettergek van werd om in een boekhandel te gaan werken. Gewoon omdat ik daar blij van word. Ik wil niet wachten tot het vakantie is om dan pas te kunnen doen wat ik wil doen. Het is interessant als je jezelf vragen gaat stellen waaróm je iets wilt, dat je erachter kunt komen dat het niet datgene is wat je wilt maar iets anders. Je kunt enorm de behoefte hebben om naar een eiland te vliegen en alles achter je te laten, maar dat is waarschijnlijk niet je primaire behoefte. Je primaire behoefte zal veel meer liggen bij rust in je dagelijks leven, waarom dáár dan niet voor zorgen?
Nouja, voor mij werkt het zo. Hoe ouder ik word, hoe kleiner mijn wereldje. Ik vind dat fijn. Ik wil eigenlijk vooral schrijven en daarvoor heb ik alleen mijzelf maar nodig.

6.Dat klinkt levenslustig. In het gedicht ‘HIJ STAAT DAAR MAAR’ schrijf je: ”Ik kan niet leven zonder de dood”. Hoe staat het nu met je gedachten over een mogelijk einde? 

Zoals het er altijd voor staat. Ik ben mij al vanaf mijn jeugd voortdurend bewust van de dood. Ik weet niet goed waar dat vandaan komt. Ergens ben ik werkelijk gaan beseffen dat het leven eindig is en die wetenschap heeft me nooit meer verlaten. Hij staat daar maar inderdaad, en wacht. Niet als een vijand maar meer als een oude kennis aan wie je niet ontkomt. Je blijft hem tegenkomen en hoeveel smoezen je ook bedenkt, uiteindelijk zul je toch een keer koffie met hem moeten gaan drinken.
Maar goed, de aanwezigheid van de dood maakt dat ik mij erg bewust ben van de waarde van mijn leven. Ik doe dit maar één keer en dat is nu. Ik wil het volledig als mijzelf doen. Ik wil goed doen. En ik wil nalaten. En inderdaad dat alles kan ik niet zonder de dood. Oneindigheid maakt slordig.

7.Dat veronderstelt dat eindigheid dat niet doet. Wat bedoel je precies met slordigheid? In het gedicht ‘Dag Liefje’ worden de titelwoorden vier keer herhaald. Is dat slordigheid, het toepassen van de repetitio en daarmee hopen op een sentimenteel effect? Slordigheid in de stijl wellicht?

Met slordigheid bedoel ik je eigen waarden en normen uit het oog verliezen en daarmee jezelf. Gaan voor de makkelijke weg en niet voor de juiste, dat is slordig. Vier keer de titelwoorden herhalen kun je nauwelijks slordig noemen alleen al omdat er dus kennelijk heel bewust voor is gekozen om het zo vaak te noemen. Ik hoop nooit op een sentimenteel effect, want het effect bij de lezer is simpelweg niet mijn reden om te schrijven. Ik schrijf om woorden te geven aan alles wat niet heet. Ik probeer mijzelf te begrijpen en de ander te zijn. Of misschien om mijzelf te begrijpen door de ander te zijn en ja ook; om de ander te begrijpen door mijzelf te zijn. (Volg je me nog?) Hoe de lezer dat ontvangt is iets van de lezer en niet iets wat ik wil sturen, dat zou slordig zijn, want het gaat voorbij aan de werkelijke intentie.
In het gedicht Dag Liefje heb ik het gevoel proberen te vangen dat een liefde voorbij kan zijn zonder dat de geliefden begrijpen hoe het komt. Sterker nog, ze houden van elkaar en tóch is het voorbij. Het is een ervaring die velen die hebben liefgehad zullen kennen. Alsof er een derde partij de regels heeft veranderd, maar wat die regels zijn, wanneer die zijn ingevoerd en in welke fase ze zijn aangepast weet niemand. 
Ik probeer veel te begrijpen in het leven, en niet alles ís te begrijpen, althans niet voor mij. Maar soms is het wel te pákken en dat stelt gerust.

Dag Liefje

Nu het daar is
en ik mij voortdurend afvraag wanneer het begon
te stoppen wil ik het je nog een keer zeggen

dag liefje

Zoals je sleutel klonk
je voetstap je fluitje
Zoals je me opzocht
en we elkaar toevallig tegenkwamen

Zoals ik het nu nooit meer zeggen kan

dag liefje
dag liefje
Dag liefje



8. Juist. In de bundel staat dat je aan de schrijversvakschool in Amsterdam studeert. Wat leer je daar zoal? 


De Schrijversvakschool in Amsterdam is een vierjarige opleiding. Wekelijks één dag les. In het eerste jaar start je met verschillende vakken; proza, poëzie, scenario, toneel, essay en schrijftraining. Aan het einde van het jaar moet je twee vakken kiezen waarmee je het tweede jaar ingaat. Halverwege jaar twee laat je nog een vak vallen zodat je slechts je eigen richting overhoudt. In mijn geval is dat proza. Door kennis te maken met verschillende schrijfvormen, docenten en medestudenten verbreedt je je horizon. Je leest veel, bespreekt veel en leert heel kritisch werken omdat de lat behoorlijk hoog ligt. Daarnaast is het voor mij, ik heb naast mijn baan een eigen bedrijfje en twee kinderen, een hele goede manier geweest om te blijven produceren. Door de opleiding ben ik staat geweest schrijven een serieuze plek in mijn leven te geven. Er zit ook een keerzijde aan. Doordat je ook veel bezig bent met verstandelijk te begrijpen hoe het werkt (personage, plot, opbouw, spanning etc..) raakte ik ook een beetje mijn eigen stijl kwijt. Ik moest weer los komen van alle theorie om mijn eigen vrije manier van schrijven terug te vinden wat toch beter werkt bij mij dan wanneer ik heel nauwkeurig een goed verhaal in elkaar probeer te knutselen. Al met al geldt voor mij dat ik er enorm veel heb geleerd, niet op de laatste plaats omdat het me heeft gedwongen veel meters te maken. Momenteel werk ik aan mijn eerste roman, waarmee ik hoop af te studeren.


9.Toe maar weer, een roman als afstudeerproject! Maar wat leerde je er qua dichtkunst? Is dat niet iets dat je voornamelijk leert door af te kijken?


Oh, dat is een makkelijke vraag, heel weinig namelijk. Ik kreeg na het eerste blok namelijk een negatief advies voor het vak poëzie, dus daar stopte het avontuur. Je snapt dat het gewoon een stomme docente was die dat concludeerde, eentje die zoveel gedoe nodig heeft om zelf te kunnen bestaan dat er geen ruimte meer voor de ander overblijft. Ik vind het niet zo gek wat je zegt hoor, dat je poëzie voornamelijk leert door af te kijken. Ik vertel mijn cursisten ook altijd dat ze veel moeten lezen, goed lezen, hérlezen. Niet om het kunstje over te nemen maar om te ontdekken dat de mogelijkheden eindeloos zijn. Voor mij werkt eigenlijk alleen maar dat ik een gedicht precies zo kan maken als het voor mij hoort te zijn, zonder rekening te houden met de lezer of de uitgever of de verkoop. Bij het maken van deze bundel werkte ik voor het eerst samen met een redacteur, Andrea Voigt, en dat vond ik wel heel erg fijn. Iemand die me nog dichter met mijn neus op de tekst drukt, nog scherper laat kijken. Verder ben ik ook een beetje allergisch voor veel gejubel van wat goed is en wat niet, wat hot is en wat not. Soms krijg ik het idee dat recensenten elkaar ook maar een beetje na- of tegenlullen. Elke kunstenaar moet gewoon maken wat ie moet maken, en iedereen kan daar iets van vinden. En dat is dat.

10.Tenslotte Heidi, doch niet na je te danken voor dit interview, daag ik je uit een dichter te noemen die we volgens jou moeten lezen en vooral waarom we juist deze dichter moeten lezen?

Charlotte van den Broeck! Ze gaf dit jaar de prachtige bundel Kameleon uit bij de Arbeiderspers. Afgelopen zomer was ze mijn gast tijdens een poëziemiddag, samen met een aantal andere fijne dichters, en zij is voor mij een dichteres die ik wil hóren. Ze draagt alles voor uit haar hoofd met een prachtige zachte stem en een mooie Vlaamse tongval. Ze neemt je mee, laat je haar wereld voelen. Ik had uren naar haar kunnen luisteren. Het was een ontdekking voor mij want voor mij moet poëzie vaak wat concreter zijn. Ik houd erg van Vasalis, Herzberg, maar sommige dichters kunnen me meenemen in hun dromen. Tjitske Jansen lukt dat ook. Maar Charlotte, die moet je kopen, lezen en hóren.



Jan Holtman in gesprek met Heidi Koren, december 2015