SLA|Avier

Stichting Literaire Activiteiten Avier

Gedicht van de week 52|2014

Het jaar uit met bard Bennie Spekken


 

Slaapkamer


 

kasten vol met wat

moet ze nu weer aan

 

stoel in de hoek

ter overpeinzing

 

het grenen bed

het traagschuimmatras

 

de ramen op het zuiden

en het licht valt

 

dermate zacht

dat het pijn doet 


 


 


 

Gedicht van de week 51|2014

Kerst met Delphine Lecompte!


In Toledo op tweede Kerstdag met een lookpers

Mijn kamergenoot is Duits en joviaal
Ik geef hem een lookpers omdat het de dag
Na eerste Kerstdag is, hij geeft mij niets
Omdat ik gisteren een paard van hem heb gekregen
En dat zou genoeg moeten zijn, genoeg voor een jaar op z’n minst.

In het Duits klinkt het woord paard als het geluid
Dat ze maken wanneer ze geënerveerd zijn
Ik maak nu ook een dergelijk geluid
Mijn joviale Duitse kamergenoot vraagt met een notitieblokje
Hoeveel het minimumloon in mijn geboorteland bedraagt.

De sfeer slaat om, ik drink de helft van een halve fles rum
Ik word bitter en onredelijk
Ik ruk de lookpers uit de joviale Duitse knuist,
Verbrijzel het paard en verlaat de hotelkamer
Niets begrijp ik van Toledo, veel minder van Jezus.

Als kind probeerde ik hem soms te imiteren
Maar ik viel door de mand
Net als iedereen wilde ik rappe beloningen
Rappe beloningen maken stinkende wonden
Ik begrijp niets van Spanje, veel meer van God.

Op straat kijk ik naar de tandzieke honden en de vruchtbare vrouwen
Ik word zoet en gelijkmoedig
Ik geef mijn lookpers aan een lukrake zwangere Mercedes
Haar zoon zal noch eremijt noch politicus worden
In mijn geboorteland ben ik een lamlendige dichter.


 


 

Gedicht van de week 50|2014

Liesbeth Lagemaat schrijft aan een episch werk dat in januari
zal verschijnen: Nachtopera. Hieronder uit deel I, de vrouw, canto VI


In zijn vuist rustte ik. 


Zijn vingers waren de lichtste tralies, ik mat mijn adem af naar 
de vorm van zijn hand, zijn huid die zich sloot om mij. Hij was zacht 

als de regen. Later raakte ik gewend aan het vervagen van lijnen, 
zijn reizen een keten, verlies beet in mijn vlees. Steeds zwakker 

toonde hij zich: een knieschijf, een heupbot, een oorschelp, een mond. 
Elke dag dat het duurde,  verzamelde ik brokken man.  Ik strooide ze uit 

in mijn huis en zong ze toe. Soms voegden de scherven zich aaneen 
en bedacht ik een nieuwe naam voor de man. Steeds anders van klank, 

passend bij de dag en het licht, of het zwart en de gloed van de maan. 
In mijn nacht dreef het oog van de man, oculair dat zich opent 

en nooit meer sluit, ik wenste me dat vacuüm van kijken. 
In zijn röntgen plooide ik mij, vouwde me op.  

Hij bracht een keer een beest voor me mee uit de zee, een dier dat sliep 
in de schelp van een ander, woonde en at als een eeuwige vreemde, 

een kluizenaar in een geleende cel. De kreeft heeft drie dagen en nachten gedanst in een geel plastic bakje, een eenzame tango, tot in de dood.

Als ik een kind krijg, dacht ik, noem ik het Heremiet.  
Het kind wilde niet zo geheten.
 


 


 

Gedicht van de week 49|2014

Met Toen je al weg was won Rinske Kegel de derde prijs van de poëziewedstrijd te Oostende 2014. Ons inziens een te lage nominatie. 


Toen je al weg was

Bij de flessen water kon je niet kiezen welke
ik wilde zo graag dat ik niet hoefde te kiezen
toen we in het park aankwamen jij bij mij
achterop en er van dronken zaten er bubbels in

we kochten aardbeien
ik kocht aardbeien
ik kocht alles
ik betaalde alles en mijn fiets viel om
en die raapte ik zelf op
er vielen nog meer fietsen om
ik raapte alle fietsen op

jij wilde liggen je wilde in de aarde
zakken en ik wilde je hier houden
maar de zwaartekracht had zijn
werk al gedaan en je lachte naar me
als een vader naar een kind dat knoeit

Je deelde aardbeien uit aan de andere mensen
in het Vondelpark
je zei zo doen ze dat in Berlijn.
 


 


 

Gedicht van de week 48|2014

Hans F. Marijnissen (Breda 1949) schrijft teksten vanaf 1964 en publiceerde sporadisch poëzie in bundels van Opwenteling (Eindhoven) . Hij is regelmatig te horen bij poëzievoordrachten en in het eerste kwartaal van 2015 zal een dichtbundel verschijnen bij Uitgeverij Heimdall (Waalre). 



De hand die de vrouw sloeg

De hand die de vrouw sloeg
omhult zijn sigaret
tegen de wind;

is zuinig en zorgvuldig
met zijn gereedschap,
zijn gerei, gerief;

is zelden in rust,
gesticuleert,  wuift,
schudt andere handen.

De de ogen die de tranen zagen
kijken nu naar mij.

De hand die de vrouw sloeg
aarzelt en verdwijnt
in een broekzak
en zoekt een shagbuil.


Hans F. Marijnissen
 


 


 


 

Gedicht van de week 47|2014

Laura Mijnders debuteerde onlangs bij uitgeverij Voetnoot in de serie Eigentijdse Poëzie met haar bundel Nachtschade. Hieronder het titelgedicht. 


Nachtschade 

Met je hoofd gebogen
rook je op de rand van het bed
bevonden vonnis weg,
ademruimte verdampt
teennagels opdringerig
te roze gelakt

onzekerheid verzegelt
in een voorkomen
dat niemand kent
ik schraap een verloren halssnoer bij elkaar
raap de parels rond jouw voeten

je tenen krommen
wanneer ik je rug streel,
minuten hier vandaan
vertrekt straks een vergeten huwelijk
van je gestifte lippen

beamen doet hier niemand
de nacht laat het waken
aan de dag over
de eenzijdigheid weerkaatst
af en toe in
een luisterend oor

 


 


 

Gedicht van de week 46|2014

Meike Ravelli is twintig jaar en leest Shakespeare . Ze schreef slechts één gedicht, waarvoor we graag uw aandacht vragen. 

Toneelschool


Ik wil niet acteren, ik wil zijn 
ik wil Julia zijn en huilen 
om haar pijn omdat het ook 
de mijne is 

ik wil duizend doden sterven 
en mensen laten huilen 
ik wil miljoenen levens lijden 
allemaal voor publiek 

ik wil de slechterik, de bangerik 
de verrader, de heldin zijn 
ik wil Icarus zijn en naar de zon 
vliegen, maar ook zijn vader 

die het beter weet. Ik wil de koningin 
en tegelijk de koning zijn, de boef 
de held, de geliefde en degene die 
iedereen helpt maar zelf 

geen liefje krijgt. Ik wil het podium 
en het decor zijn. 

 


 

Gedicht van de week 45|2014

Dames en heren, onze gastredactrice voor de zomer van 2015. Zomer met Marjon Zomer, nu met een gedicht over de dood.


 

uit je element  (Voor Bernd Ebbo Visser)

 

dat je doodgaat hoorde ik via Facebook

nou ja dood gaan we allemaal

maar jij nu al bijna

doodgaan is particulier en universeel ineen

 

je schreef luchtig dat doodgaan geen einde is

dat begin en eind niet bestaan in het nu

en dat je ergens blijft hangen in een glimlach

en dat de meeuwen altijd zullen blijven krijsen

 

ik twijfel

over dat eeuwige en dat alles altijd maar doorgaat

of tijd wel bestaat

en hoe dan

 

of je bang bent en ook wil ik weten

of het laatste nou grond is of vuur

waarom dan alleen het harde overblijft

en al het zachte verdwijnt

 

 

© Marjon Zomer


 


 

Gedicht van de week 44|2014

Maarten Buser is van 1991. Hij is neerlandicus en schrijft gedichten, die onder andere in SlangPassionate PlatformOp Ruwe PlankenMeander, Absint en poëziepuntgl verschenen en werd door Das Magazin en Arie Boomsma tot één van drie poëzietalenten voor 2014 gekozen…

 

Avondjes


 

Er zijn mensen geweest van wie ik dacht

dat we samen een sitcom

zouden moeten worden. De papegaai

 

leerde aan het begin van de aflevering

vieze woorden van de cateraar

Ik heb de tafels gedekt,

 

plannen gemaakt, de gasten omhelsd

Al zijn ze op me gesteld,

ze lachen niet als ik het tafelkleed

 

wegtrek (we wisten dat het verkeerd zou gaan)

Boven de kopjes zonder oren

cirkelt de normaal zo luie papegaai


 


 


 

Gedicht van de week 43|2014

Anne Broeksma (1987) debuteerde onlangs met de bundel  Regen kosmos kamerplant.

 

Route

Er is een route naar school langs een weiland met een schaap erin.

Het hek geeft aan waar de grens ligt voor het schaap.

Een schaap, wat gras, het hek en dan de huizen.

In die volgorde heeft alles een plaats.

Een moeder zegt dat het fantasie is, dat er nergens een schaap is.

Dat de enige route naar school via het pad met de vallende goudvissen loopt,

maar ik begrijp heel goed dat ze het schaap geheim houdt

en dat ik beter niet kan gaan zoeken.

Het zou de dood van het schaap kunnen betekenen.


 


 

Gedicht van de week 42|2014

Johanna Geels schrijft gedichten, proza en columns voor onder meer HP/De Tijd. Ze debuteerde in 2008 met Tuig, dat werd genomineerd voor de C. Buddingh’-prijs. In 2010 verscheen haar tweede bundel Detox. Onlangs verscheen bij uitgeverij Marmer Wildberichten, waaruit onderstaand gedicht.

Binnenkort een interview met haar op deze site.

 

 Plaag

 

Ooit zat ik ingeklemd tussen huizen

waar mensen woonden.

 

Die altijd maar dachten dat alles goed kwam

terwijl hun perken vol kattenstront

en luizen lagen.

 

Sommige dingen komen nooit goed.

Hypochondrische huisdieren, manisch-

depressieve klaar-over-ouders.

 

De druppende aardkloof die bestudeert

in het hoekje van de tuin.

Luizen zijn gevoelig voor trillingen

en verstoppen zich diep in je hoofdporiën.

 

Als je ze door de gootsteen spoelt

kruipen ze gewoon weer terug.


 


 

Gedicht van de week 41|2014

Tsead Bruinja (Rinsumageest, 1974) stelt bloemlezingen samen recenseert, presenteert, interviewt, treedt op in binnen en buitenland, maar schrijft vooral prachtige gedichten.


 

eten

 

is het meest krachtige onderdeel

van je cultuur

 

in de baarmoeder

met dat spruitje

 

de betekenis voortvluchtig

het belangrijkste voortvluchtig

wil niet gevonden

 

ik sta voor een winkelraam

met kanonnen

 

gepoetst gepoetst

 

maar nog geen oorlog

om tuig heen te slepen

en ook geen baron

 

sprong van de vuurtoren

de zee in

 

zwom tien jaar onder water

op zoek naar de stem

                         sterren

 

die zong

 

 

 

Gedicht van de week 40|2014

Jan Holtman is vooral interviewer voor SLA | Avier, maar soms schrijft hij een gedichtje. Ook hij denkt wel eens aan een vrouw en een kindje.

 

kind                                                                                                                                                   

 

je moet ook wel geluk hebben

met het gif al in de genen, de

eerste liefde en de namen die we

primitief aan de geslachten gaven

 

God, wat een genot, de overdaad

lange nachten boven de wet, het

stelde de waarheid nog even uit

maar loog niet, na de zoveelste

 

zoete verkrachting, de overgave

de littekens op je buik en lager

de pijn die je oerknal noemde

 

het bloedend lot in je armen

wat had je dan verwacht

een Godsgeschenk?


 


 

Gedicht van de week 39|2014

Vrouwkje Tuinman presenteerde afgelopen donderdag haar bundel Sanatorium in de Libris Boekhandel in Utrecht. MEDISCH WONDER vindt u op pagina 12 en tevens in het interview op onze site.

 

MEDISCH WONDER

 

Ik weet niet exact waaraan mijn vader

uiteindelijk is gestorven, maar hij had

echt alles. Suiker, kanker, gordelroos, koliek.

Zijn hoofd werd vanbinnen langzaam opgegeten.

Aan de buitenkant zag je alleen die wijnvlekken

maar in zijn borstkas zat iets klem.

Aan al die defecten kun je volgens Freud

betekenis ontlenen. Helemaal omdat

hij zelden klaagde. Niet over de ziektes.

Alleen over alles dat door anderen kwam.

Daar heb je het al: het hart de prostaat,

de plekken waar het lichaam zaken

opslaat die het daglicht niet verdragen.

De suiker als compensatie voor zijn

bittere adem, de gordelroos om hem niet langer

aan te hoeven raken. Tenslotte was de schedel

leeg en won de wereld van mijn vader.


 


 

Gedicht van de week 38|2014

Bart FM Droog is dichter en onderzoeker. Momenteel werkt hij aan de Nederlandse Poëzie Encyclopedie. Onderstaand gedicht schreef hij in opdracht van OOG-radio (Groningen)

 

Bodemschatting

Wie de aarde op waarde schat
weet dat wat gewonnen wordt
ergens ook verloren gaat, geen

stof kan gedolven zonder golven
de grond zal splijten de geesten
verblind door blinkend goud

drijven boren dieper en dieper
pompen bodem tot giga gaping
zo verbouwen we huizen tot gruis.
.
 


 

Gedicht van de week 37|2014
 
Marloes Robijn is de winnares van de Poetry Slam Leeuwarden 2014. Studeerde Algemene Taalwetenschappen,  Scandinavische talen en Letterkunde. Het houdt niet op.

 

Esja, Reykjavík

 

Vertel me waar je heengaat

als de stad je door kijkjes

en zeelopende straten mist

Tussen jou en mij een baai

een wit scherm van water waar

ik een berg op bedenk

Wie weet 

hoe steil je bent

 

Bij wie ga je op bezoek

als regen en wind onze ramen betekenen?

Wie doorweekt wie en rilt

het is de moeite niet

Met welk massief keten je samen,

welk vlak land veert op door jouw komst?

 

Vertel me, Esja, nu ik hier aan je voeten sta

Zijn wij het bekijken waard?

Wat doe je als wij met mist en wolken

overdrijven en daarachter

niet meer blijken te bestaan?

 


 

Gedicht van de week 36|2014
 

Laura van der Haar debuteerde dit jaar bij uitgeverij Podium met haar veel geprezen bundel Bodemdrang. Binnenkort op deze site een interview met haar, maar eerst een gedicht uit de bundel.

 

asfalteren

 

deze jongen heeft het donker in zijn ogen

ziet een beetje klam om de mond

met hem is het keldertje spelen

of niets

 

zeg maar wat je wilt

(de meeste mensen kiezen keldertje spelen)

 

Ik kneep mijn neus dicht

hield mijn adem in

 

al best vroeg ontdekte ik

dat je de handen van een ander nodig hebt

 

hoe dan ook

 

 

                Laura van der Haar 


 


 

Gedicht van de week 35|2014

Bernke Klein Zandvoort (1987) debuteerde met gedichten in De Revisor. Met haar poëzie heeft ze al op veel literaire podia gestaan en in 2013 verscheen haar debuutbundel:Uitzicht is een afstand die zich omkeert.

 


 

terwijl achter het schip het land wegdraait

dikken auto’s in tot hulpeloze brokjes op de kade

een mopje van de boot zoals ook de reling, een rode plastic lijn

precies over de horizon ligt, de horizon

die een bocht over het water maakt

water waarop een sliert eiland is gemeerd

 

daar trekt een klamme laag over onze spullen

langzaam daalt de dag neer in het gras

de moleculen die in alle richtingen kunnen bewegen

ballen samen tot een tafel, een kunststof blad + (2x) onze afdwalingen

 

boven onze hoofden raakt elke paar seconden de vuurtoren het tentdoek aan

 

een aanraking die me echter aandoet dan de tafel, een tafel

die ook uit twee geopende boeken had kunnen bestaan

 

op het wasblok aan de duinrand draait een nachtmot rondjes in een druppel water

rondjes die op de achtergrond de eerste sterren aandraaien

de eerste sterren die losjes geprikt staan

een stel autootjes op de dijk

 


 


 

Gedicht van de week 34|2014

Hanneke van Eijken (1981) is dichter en jurist. Haar debuutbundel ‘Papieren veulens’ werd  genomineerd voor de C. Buddinghprijs 2014.

 

Dit huis

 

i.

 

We zouden dieren vouwen

van papier, kastdeuren

een tafel om aan te eten

           

we zouden kinderen maken

met haren van gele linten

ze zouden onze stoelen vullen

 

ik zou op blote voeten door onze tuin

met fantasievogels lopen

ze allemaal een dubbele voornaam geven

 

we lieten ieder een druppel bloed

en een haar op de deurpost achter

een geheime code

om de weg terug te vinden, later

 

zouden we makreel en avocado eten

schuilen als papieren veulens voor natte sneeuw 


 


 


 

Gedicht van de week 30|2014

Janine Jongsma over het instituut dat huwelijk heet…


 

Reservetijd

 

en als je mij hebt doorgrond,
weet dat er daarna niets meer komt
wat jou nog verbazen zal in mij

jij mijn restwaarde afschrijft 
waar ik liefheb in ons trouwboekje 
geen beroering meer voelt

aan de andere kant van ons bed
waar ik al jaren niet meer kom
je mij plichtmatig welterusten wenst

verval ik in het stilzwijgen van ons huwelijk
onder de noemer “houden van”
tot een obligate kus bij gelegenheden

was ik de vlekken uit je onderbroeken
stel ik louter retorische vragen
en serveer onopvallend je lievelingskost 

om de aandacht voor die halfdode vrouw
in dit krankzinnige instituut
maar niet op mij te vestigen


 


 


 


 

Gedicht van de week 29|2014

Ares Koopman interviewde W.F. Hermans, was twee keer getrouwd, zwierf de wereld rond en strandde onlangs nog berooid in Buenos Aires… Zie hiervoor het uitgebreide op onze site.

 

(week 4) 


 

een ruimte die in tweeën is gedeeld,

'k ontdek een kleine hal,

een keukentje, een washok met lavet,

een toilet en verder nog

een kamer met een kinderbed

 

ik richt mij op, ga

op mijn benen staan, loop

rondjes voor het oog

van mijn bewakers - 't zijn er twee,

en van een van hen ontvang ik

een pak slaag

dat op mijn ene wang nog nagloeit

tot vandaag

 

'k word achter tralies weggezet

in een box

die in het pand is ingericht,

'k lig op m'n rug,

dan word ik opgehaald; men daalt

met mij drie stenen trappen af,

ik word door anonieme straten

naar een vrijstaand huis gebracht

en door een oude man ter plekke

opgewacht

 

 

                

Uit de serie: Een vreemde in Jeruzalem  


 


 


 


 


 

Gedicht van de week 28|2014

Komt het niet door de lengte, dan wel door de breedte. Ellen Vedder over een tandenknarsende vormgever. 

 

Helaas

geen tijd om klussen verder uit te werken: ik moet nu toch echt en zonder verder getreuzel

een extra breed gedicht schrijven en wel zo breed dat het nauwelijks past in de krappe marges

van mijn tekstverwerker, laat staan in een gedichtenbundel waarbij de vormgever ongetwijfeld

zal gaan tandenknarsen om de vele woorden die hij leesbaar moet maken in de witruimte

die hij in gedachten had. Ik had ook een ander leven voor ogen, ooit, iets met grote kamelen,

een baardige man, rollen in het gloeiende zand en misschien wel een heus vliegend tapijt

waarop mijn bloedjes van kinderen – goudgebruind in makkelijke aantrekjurkjes - de lucht 
zoetjes inademend naar school zouden vliegen, mijn man op zandhazenjacht en ik behaaglijk

luierend onder de breedte van mijn waterdichte zonneluifel

 

 

                Ellen Vedder


 


 


 


 

Gedicht van de week 27|2014

Delphine Lecompte over verlichte krokodillen


 

Enkel de krokodillen

 

Enkel de krokodillen zijn verlicht. Overal staan vaders onbeholpen naast hun kinderen. De moeders zijn verslonden of weggelopen. De oerwoudgeluiden zijn vals maar toch angstaanjagend.

Ik ben de enige die munten blijft gooien op de stugge ruggen. Mijn wensen zijn op en nog blijf ik munten gooien.

Na de reptielen bezoeken we de apen. Die hebben namen en stokken en adoptieouders.

Mijn vader vraagt me of ik een chimpansee wil adopteren. Ik antwoord: ‘Nee.’

We verlaten zwijgend de zoo.

Op de trein zit mijn vader tegenover een zwangere vrouw met flaporen en een pastamachine tussen haar benen. Ze vraagt hem of ik een jongetje ben.

Mijn vader antwoordt: ‘Nee.’

We zijn opgelucht wanneer de zwangere vrouw de coupé verlaat.

Ik denk niet dat mijn vader mijn moeder mist.

Mijn vader zegt: ‘Ik mis je moeder niet. Ze was een spilziek kreng. En ze heeft nooit erkend hoe geniaal ik ben.’

‘Het is jammer dat ze geen adres heeft achtergelaten.’

‘Waarom? Wil je haar schrijven?’

‘Ja.’

‘Waarover??’

‘Over de verlichte krokodillen.’

‘I see.’ Wanneer mijn vader iemand niet begrijpt zegt hij ‘I see.’ Dat heeft hij overgenomen van zijn eigen vader die bijna iedereen begreep, behalve zijn zoons en zijn loodgieter.

Mijn vader was bijna loodgieter geworden, maar toen hij mijn moeder tegenkwam is hij liedjesteksten beginnen te schrijven. En dat doet hij nog steeds.

‘Misschien kun je een liedjestekst schrijven over de verlichte krokodillen?!’ Stamel ik bedeesd.

‘Ik schrijf geen liedjesteksten over dieren.’ Zegt mijn vader ongeduldig, korzelig.

‘Dan doe ik het zelf wel!’

Mijn vader lacht mij uit. Hij heeft gelijk. Het was een bespottelijke uitspraak; ik ben nog maar vijf. Ik kan nog maar drie woorden spellen: ‘OS’ en ‘STAL’ en ‘KUS’. En het nieuwe testament is al geschreven.’

 

Thuisgekomen eten we ravioli met de radio. De muziek is melancholisch en seksueel; een moeilijke combinatie. Mijn vader bloost. Ook wij zijn een moeilijke combinatie.

Na de maaltijd krijg ik plakkaatverf, een penseel en een blad papier.

Mijn vader heeft een afspraak met een pseudo-Russische bibliothecaresse. ‘Ze woont in de Geeststraat.’ Beweert hij.

Terwijl mijn vader een pseudo-Russische bibliothecaresse beft in de Geeststraat worstel ik met de deksels van de potjes plakkaatverf.

Ik verlaat de studio van mijn vader en vraag hulp aan de huisbaas die een paar huizen verder woont en André heet zoals wijlen mijn grootvader. Zoals wijlen de visser.

André helpt mij. Ik kruip op zijn schoot. Ik schilder vier verlichte krokodillen. Hij denkt dat ze allegorisch zijn. Hij zegt dat ik talent heb.

Ik geloof hem niet.


 


 


 


 

Gedicht van de week 26|2014

Hanz Mirck (Zutphen 1970) studeerde Nederlandse Taal- en Letterkunde te Utrecht. Hij debuteerde in 2002 met Het geluk weet niets van mij. Daarna volgden de bundels Wegsleepregeling van kracht (J.C.Bloemprijs) en Archiefvernietiging. 
Grote nutteloze werken is een bundel over schrijven tegen de klippen op, waarin op grimmige toon overlevingsdrang is opgetekend.
 


Grote nutteloze werken 

Er rijdt een metro onder de stad
die ik ben. Jij bent een van de passagiers,
je kent niemand in de overvolle wagons

In het raam zie je de gezichten van je ouders
onherkenbaar over elkaar weerspiegeld

Ondergronds passeert de ringlijn de grenzen
van mijn onbewuste, de donkere wereld
waar je de weg niet kent

Tergend stapvoets passeer je de stations
in de verboden wijken, de deuren
blijven gesloten, stipt op tijd rijd je door

Over de trappen naar de lange lege perrons 
valt het licht van de illegale droom


 


 

Gedicht van de week 25|2014

Jan Ketelaar is vooral beeldend kunstenaar, maar zijn gedichten mogen er ook zijn. Onderstaand gedicht verscheen in de top honderd van de Turingprijs.

 


transparant

stel
dat sperma transparant was
dan zou je dat zo
tussen je dubbelglas
kunnen spuiten
en dan zou je nog gewoon
bij de buren
naar binnen kunnen kijken
maar stel
dat je zak transparant was
en stel
je leuter ook
stel dat jij helemaal transparant was
niet werd gezien
ook niet werd gehoord
dat je probeerde te luisteren
maar niet verstond
en dat je zo graag
zo vreselijk graag
iets zinnigs zou willen zeggen
maar niet zou weten wat
en dat dit allemaal normaal was
dan was er niets aan de hand

 


 


 

Gedicht van de week 24|2014

Uit haar imposante Werkboek (bloemlezing 1983 – 2010) het gedicht Gebed door Jana Beranová.


 

Gebed


 

Laaiende lente
Kaarsbloeiende kastanjes
vlammen op, de wilde voor al

Staken ze de schepper
soms naar de kroon
met hun rijke tempelkruinen?

Hoe komen dan
geen ouden van dagen
aan levervlekken?

De weg is nu droevig
mager omrand

De basten huilen rode tranen
en ik huil van de stiklucht
in mijn achtertuin

Als bomen bloed hebben
geef ze het mijne
zet een bloedbank op

ik smeek u
oppermeesters van ons
heel  al


 


 

Gedicht van de week 23|2014

Dames en heren, Jean Pierre Rawie. 


 

DICHTER

 

Je maakt het mensen toch niet naar de zin,

en streeft dat ook niet langer na, Niet langer

is wat je schrijft gericht op een ontvanger.

Je bent je eigen einde en begin,

 

en leeft en sterft alleen. Geen dubbelganger

neemt straks je plaats wanneer je doodgaat in;

geen keer op keer verloren hartsvriendin

ging van iets anders dan gedichten zwanger.

 

Veel lijkt mislukt te zijn, maar toch, jij bent

degeen die eens zelfs in het meest banale

de waardigheid en zin heeft onderkend,

 

en alles in het eerste licht zag stralen.

En heel je leven zoek je dat moment

nog eenmaal zo volmaakt te achterhalen.

 

 

Uit: De tijd vliegt, maar de dagen gaan te traag 


 


 


 


 

Gedicht van de week 22|2014

De haas is een gedicht van de voormalige huisdichter van de Rijksuniversiteit Groningen, Pauline Sparreboom. Vrolijk Pasen? Schijn bedriegt! 

 

De haas

 

er is een haas afgebrokkeld
hij waait als het resultaat
van een kussengevecht

wij vragen datum, uur of een plantje
en begraven of de haas
nu wel kan praten

de haas en ik willen wel 
gevonden maar niet gezocht, we zijn
uitgestrooid als stukjes twijfel

en soms, wanneer ze rustig is
lig ik naast haar, het is denkbaar
dat de kraai dan bij me komt, soms


 


 

Gedicht van de week 21|2014

Kate Schlingemann, dichter, kinderboekenschrijver, geabonneerd op de Turing-top-100, Aviermedewerker van het eerste uur.   

 

als je mijn landschap moest verzinnen

 

torn het uitzicht los, ontrafel

kust en kantel de vulkaan

 

knip een eiland voor me uit, één paar

blauwe luchten, wolken kunnen

 

ruim het veld, trek dagen uit

maan nachtelijke akkers samen

 

leid alle bergen om, bind gaten dicht

veeg je leisteen schoon

 

open mij een wereldstad, een nieuw gezicht

van elastiek een horizon

 

 

(c) Kate Schlingemann

 


 

Gedicht van de week 20|2014

Anneke Wasscher werkte vijfentwintig jaar in de verslavingszorg en begon eind 2008 met het schrijven van proza en poëzie.  Haar werk verscheen in ruim dertig verzamelbundels en in een aantal tijdschriften.   


 

bevolkingsonderzoek

 

de bus is dichtbevolkt met vrouwen uit het dorp

hun leeftijd is al aan de meldingsplicht gewend

 

ze zoeken in de zakken van hun jas weer naar

de ene pas die hier geldt als het plaatsbewijs

 

hun wachtstand is gewoon net als de prietpraat

die de kou van dagelijkse zorg op afstand houdt

 

ze zitten naast elkaar als zusters in hun bange dagen

de handen vast aan tassen met een vage kleur

 

een enkeling wordt door de folderglans verleid

ze kan niet weten dat het om een dreigbrief gaat

 

het rode lampje speelt het spel van aan en uit en

achter elke witte deur wordt  uit- en aangekleed

 

de borsten later zelden meer hun zachtheid zien

ze voelen zich geborgen in een vest of nette bloes

  

Anneke Wasscher 


 

Gedicht van de week 19|2014

Mattie Goedegebuur over 1945… 


 

1945

 

(sie)

“Freiheit, Friede….”

Verdoofd rollen tranen

Besef van onmogelijkheid

 

“Was soll nun geschehen?”

Automatisch maakt ze zijn ontbijt

Verward dekt ze haar jongens zorgzaam toe

 

(er / hij)

Ongeloof… eindelijk vrij?

Warm omarmd hij haar, zijn schat

“Weck unser Kinder, ich will mich verabschieden”

 

Jubelend start hij met pakken

Zijn trein naar huis vertrekt aanstonds

“Ich liebe dich, du kommst doch nach!”


 

(zij)

Tranen van blijdschap

Hij leeft nog, haar jongen

“Die rotmoffen hebben hem gespaard”

 

Wéér een brief! Venijnig is ze en rukt

De enige weg naar haar kleinkinderen stuk

“Verboden vruchten, smerige hoer!” 

  

Mattie Goedegebuur 

 


 

Gedicht van de week 18|2014

Patricia Opsomer (Oostende, 1961) liet haar stem al horen in Vlaanderen. Nu voor de tweede keer in Avier.


 

Vluchtelingen

 

 

foto in de krant, een kapot geschoten straat

langs skeletten van huizen stromen ze naar je toe

mannen, vrouwen en kinderen, verslagen, moe

het hoofd gebogen, honger doet bewegen maar

angst verdooft, ze lijken wel geesten die in een

luchtbel schreeuwen, de vrouw vooraan, haar blik

is voorbij, met een hand voor haar mond schuift ze

aan in een rij maar te dicht op je huid, je loopt

de foto uit, slaat de pagina om, vluchtelingen

zij daar, jij hier

vluchtelingen alom

 

  

Patricia Opsomer 

 


 


 

Gedicht van de week 17|2014

Poëzie volgens de chaostheorie door Jef Louisa Versmissen

 

 

Een literaire zelfmoord

 

 

Ik denk, ik doe

listig sla ik toe

nadenkend over elk woord

een literaire zelfmoord

 

ik snijd mijn poëtische aderen roestig door

letters vloeien uit de snee zo over een versleten tapijt

mijn wraak is goor, mijn wraak is weids

mijn wraak is eigentijds

 

ik rijm de bloederige woordenstroom

met een minzaam duivelse ondertoon

die ik snel weer rechtzet, onder luid verzet

van de toehoorder die u bent

 

de toehoorder die mij over een muilezel tilt

omdat ik dat volgens de streekkrant heb gewild

want de dichter die zijn public relations verzorgde

is niet langer bestemd voor het voorgeborchte

 

van de hemel of van de hel

maar mijn mes kent geen genade

't wordt de roem of 't wordt de made

't wordt tijd om m'n woordenpistool opnieuw te laden


 


 

Jef Louisa Versmissen


 


 

 

Gedicht van de week 16|2014

Sannemaj Betten (1995) stond dit jaar in de finale van de NK Poetryslam.


vanillegeur en brandnetels 


 

ik schep in de grond

blijf scheppen tot er beelden komen

van hongerige dagen door de bruine grondlagen heen

mensen met donkere aarde op hun gezichten

of van muziek die danst met zichzelf en de pasjes vergeet

 

op het heetst van de dag mogen de beelden je het meest

het liefst omhuld door vanillegeur en brandnetels

 

beelden van mij

die schept in het zand

met geschaafde handen en verbrande rug

 

ik blijf scheppen tot ik in het gat sta

en het zand korreltje voor korreltje 

over de rand op mijn hoofd valt

de beelden zijn op

maar het zand nog niet 


 

 

Sannemaj Betten 



 


 

Gedicht van de week 15|2014

Volgend weekgedicht komt uit Lieke Marsmans bejubeldebuut Wat ik mijzelf graag voorhoud.  Onlangs verscheen De eerste letter.


MAN MET HOED


 

I


 

Ik volgde een nacht lang de rook
van de stad, ik zei tegen een man
die me naliep: probeer mij eens te volgen
terwijl ik achter jou aan loop, kun je dan nog
raden waar ik heen ga?


Ik las in een boek dat je, als je steeds
rechtsaf slaat, altijd weer thuis komt.
Maar wat als je begint bij een plaats
die niet je huis is, waar kom je in dat geval
terecht?


ik begon in een huis op een land
dat plat was. Daar stond in een boek
dat het aan de binnenkant van ons lichaam
helemaal donker is. Pikzwart. Ik dacht:
hoe kun je het weten als je er niet kunt kijken?


Ik zei tegen de man die ik volgde
dat ik naar huis moest, een licht
in mijn longen aandoen. Ik kon hem zeggen
wat ik dacht omdat ik iets schreef
in mijn hoofd. Het was dit.


Iemand gaf me een boek dat vertelde
over een parallel universum dat zich op één
millimeter van onze huid bevindt.
Huid: de vitrage die ervoor zorgt dat
onze organen geen schaduwen hebben.


De man liep rechtsaf mijn straat in. Vanuit een
bovenraam op de hoek klonk een feest. Hij kwam
bij mijn voordeur en draaide zich om.


Ik schreef: als ik in een parallel universum geloofde,
zou het zijn waar ik mijn huis liet bouwen.
Als ik in mezelf geloofde, zou ik er lachend
op de bank zitten wachten
totdat ik thuis kwam.

 

Lieke Marsmans 


 

Gedicht van de week 13|2014

Nicolette Marié (1973) maakt beeldend en beschrijvend werk. Zij trad onder meer op tijdens Dichters in de Prinsentuin en Onbederf'lijk Vers. Tot twee keer toe werden gedichten van haar opgenomen in de Top100 van de Turing Nationale Gedichtenwedstrijd. In 2013 verscheen haar debuutroman HAAS, waarin een gevoelig begaafd meisje in samenspel met een wonderlijke verzameling alter ego's messcherpe antwoorden op de grote vragen des levens formuleert.

 

 

Scène langs de randweg

 

Eerst de oudere: scheefhangend in een gemotoriseerde rolstoel. Een glimmend gepoetste wandelstok achterop, een lederen aktetas met Nee Nee-sticker in een gehavend zijvakje.

 

Dan de jongere: begeleider van een mottig balletje op kortgefokte pootjes. Een Opperwezentje dat vrij is om te gaan en staan waar het wil. In de schoot van de kreupele bijvoorbeeld.

 

God past precies onder de dikke buik. De discipel, een mat-glanzend zwart appeltje waar geen verstandig mens graag een hap uit zou nemen, kletst zijn handen als timbalen tegen elkaar.

 

‘Het doet pijn,’ kreunt de oudere. ‘Goochem,’ gnuift de jongere, ‘gewoon ff aai doen. Vindt-ie vet.’ Zalvend-zingend bedekt hij de levervlekken, die bleek wegtrekken bij zoveel vertoon van macht.  

 

 

 Nicolette Marié

 


 

Gedicht van de week 12|2014

Jürgen Smit (1972) debuteerde in 2012 met de bejubelde bundel Traliewoud.

 

 

het regent nu al weken in dit dorp 
de lucht grijzer dan het vloerkleed

ik zit in zijn rookstoel 
mijn dagboeken te herlezen 

& tel de keren dat ik
over de zon schreef

met de hand die overblijft 
kan gezwaaid worden

 


 

Jürgen Smit 


 

 

Gedicht van de week 11|2014

Willem Tjebbe Oostenbrink schrijft hoofdzakelijk in het Gronings en heeft veel publicaties op zijn naam. In 2012 drong hij door tot de top 100 van Turing gedichtenwedstrijd

 

 

Opgedroogde tranen

 

Natuurlijk was vroeger niet alles beter,

alles kwam veel later pas.

 

We hadden het niet breed maar er was diepgang

in eten en denken. Wat we niet aten

dachten wij er bij elke keer weer.

Het onuitputtelijk diep verdronken kalf

werd geslacht en gebraden met vleeskruiden.

 

Opgedroogde tranen aten wij,

als de kippen vergeefs gebroed hadden,

met eieren die weer niet uitgekomen waren,

gekookt soms ook gebakken.

 

Het waren tijden waar je

geen besef meer van hebt.

Wanneer ze opgehouden zijn, weet ik

niet. Het waren van die dagen

waar je middenin zat of je stond

er buiten en keek er vreemd naar.

 

Met lege handen staan blijven, kon niet.

Vaak zaten we wat bedrukt aan tafel.

 

Wat gaf het, wij waren onderweg

naar een nieuwe tijd en wisten

nog niet dat wachten geen zin had.

 

 

Willem Tjebbe Oostenbrink

 


 

 

Gedicht van de week 10|2014

Een ontroerend drieluik van Marjon Zomer

 

 

I

hallo Mam met mij

wil je me even terugbellen

ik wil even overleggen over

de verjaardag van Jan

en hoe laat ik je vrijdag zal komen ophalen

dahaag

dikke kus

 

II

Mam ik belde je gisteren

je belde niet terug

heb je de boodschap gemist

als het rode knopje knippert

dan heb je nieuwe berichten

3 seconden ingedrukt houden

zoals Hans je heeft laten zien

weetjewel

ik wil je vrijdag om ongeveer

drie uur ophalen

voor de verjaardag van Jan

komt dat uit

het is een eind rijden natuurlijk

en ik wil het even met

je afspreken en horen hoe

het met je gaat

bel je me even terug

dahaag Mam

kusje

bel je me snel

 

III

Mam gaat alles wel goed

het is zo warm

drink je wel genoeg

je moet extra drinken hoor

zeker met deze hitte

ik had je ook al

op je mobiel geprobeerd

je hebt hem toch wel aanstaan

of is je batterij misschien leeg

weet je wel hoe je hem op moet laden

het is niks voor jou

om niet terug te bellen

ik maak me zorgen Mam

is de thuiszorg wel geweest

ik denk dat ik buurvrouw Verheijden

even ga bellen

of ze even bij je kijkt

dag Mam

ik kom morgen

sowieso

 

 

Marjon Zomer

 

 

 

Gedicht van de week 09|2014

Vanuit zijn mobiele bunker De Manke God, Kees Engelhart:

 

 

DIE VROUW IN DAT HUIS

 

Hij was alleen met die vrouw in dat huis

In haar slaapkamer boven had ze vele

Kaarsen ontstoken

Ze wachtte op hem riep ze naar beneden

Verstijfd stond hij in de hal

 

Het was diep in de nacht het stormde

En het regende hard

Niets kon hij doen er was geen weg uit

Hij hing zijn hoed en jas aan de kapstok

Zijn schoenen zette hij onder aan de trap

Vervolgens ging hij naar boven

 

Licht verbijsterd bleef hij even later in de

Deuropening van haar slaapkamer staan

Een weelderig boudoir ontwaarde hij

Met tientallen misschien wel honderd

Kaarsen in alle soorten maten en kleuren

Door de hele slaapkamer verspreid

Hij proefde de zoete geur van wierook

 

Daar lag ze op haar ronde bed

Ze rookte een filtersigaret en

Lachte hem verlokkend toe

Buiten in het stille begon een

Hond keihard te blaffen

Kalm ontdeed hij zich van zijn

Kleding

En ging naast haar liggen

 

 

Kees Engelhart 

 

 

 

Gedicht van de week 08|2014

Bert Beulens schreef over Heinz Rosenbaum:

 

Heinz Rosenbaum

 

op één
kleine foto na
liet hij
niets
tastbaars na

 

behalve dan
verstrooid
een woord van
wie hem
nauwelijks had gekend

 

een mensenleeftijd
lang geleden

 

weihnachten
neunzehnhundert
vierundvierzig

 

hij was
de ongekende vader
van mijn vrouw

 

zo na

 

 

Bert Beulens

 

 

 

Gedicht van de week 07|2014

Meliza de Vries heeft iets met het gevangeniswezen. In 2006 werkte ze acht maanden in een vrouwengevangenis in Quetzaltenango. Haar eerste voordracht was tijdens Pecha Kucha in het Huis van Bewaring in Groningen (2007)

 

 

appel

 

je zat tevreden achter de tralies,

alles moest niets mocht. het denken

was gedimd en was zacht voor het brein.

 

je vingers plakten door het rattengif

of slangenslijm. je alibi was deels

vervaagd toen ik je een fruitmand gaf.

 

je keek naar de gele kant van de appel

en liet hem gisten in de zon.

ik heb nooit geweten dat je dronken werd

en in het klokhuis een boom kon zien.

 

 

Meliza de Vries

 

 

 

Gedicht van de week 06|2014

Fred Papenhove (Den Haag, 1956) publiceerde tot nu toe vier dichtbundels. Voor zijn derde bundel De Hemel is vol zwaluwen ontving hij de Halewijnliteratuurprijs 2009. Zijn laatste dichtbundel  Zweep je beste been voor' is verschenen bij uitgeverij Van Gennep (2011). 

 

 

Orde

 

Sappho heeft mij verlaten,

haar lichaam wordt nu

door een ander bezet.

 

Alles wat ik bedenk:

haar verdrinken in zee, opblazen

met semtex, wurgen met mijn handen,

 

valt in het niet bij de constatering:

de avond begint, het wordt koud,

ik ga de tuindeuren sluiten. 

 

 

Fred Papenhove

 

 

 

 

Gedicht van de week 05|2014

Bij dezen een zeer recent gedicht van Piet Gerbrandy!

 

   

Daar hij verdovend in stille cafés af

            sprak met schuim van texelse tarwe.

Daar zijn kapitale vulpen blok

            na blok stug slijtend stand hield.

Daar week na week lege pakketten

            hij frankeerde voor gestriemde schonken.

Daar hij nummers niet opnam gezichten vergat.

 

U moet uw uitstoot stremmen.

De fondsen die u spekt zijn malafide.

De bonus die u uitreikt riekt naar crisis.

Uw voetafdruk is plat en mijlen breed.

 

Wanneer zij op barbaars terras haar witte

            hand in zijn hand schuift huivert.

Zodra zij hem noodt in haar flat.

Indien zij haar bad vult met water en bellen en dijen.

Zo vaak zij op vellen geschept

            papier haar ademloos woord wist met pekel.

 

Uw druk op het milieu wordt onverantwoord.

Uw omgang met het recht blijkt dubieus.

Onverdedigbaar zijn langzamer hand uw grijze privileges.

De nota’s die u schrijft zijn achterhaald.

 

Piet Gerbrandy

 

 

 

Gedicht van de week 04|2014

Het gedicht Schoon genoeg van Frouke Arns komt uit haar debuutbundel ´Mensen die je misschien kent´, Uitgeverij Marmer, oktober 2013. 


Schoon genoeg

Ik heb de kringen achter de kast geschrobd, 
zelfs de webben op zolder waar wij zelden kwamen 
als een suikerspinmeisje op een stokje gedraaid. 

De lakens vingen veel wind vandaag en zon 
stort door het raam op de vloer, de blankgeboende. 
Het bad staat vol en onbewogen. 

Bomen werpen hun schaduwen ver vooruit; 
de wingerd die je steen overwoekert 
heb ik sinds jaren voor het eerst niet gesnoeid.


Frouke Arns

 

 

 

Gedicht van de week 03|2014
Levity Peters is fotograaf en dichter. Onlangs verscheen bij uitgeefhuis De Manke God de bundel Noord



Met de bijsmaak van onschuld

Dit is wat zij voornam:
Ze neemt zijn hand
en brengt die naar haar borst.
Zijn hand
legt zij 
tussen haar wijkende dijen.

Je ziet het licht
dat in zijn ogen schittert.
De ontlading die over haar komt
verduistert haar man.

Ze neemt zijn hand,
tussen de vingers
een pen gestoken.
Schuchter verschijnen
zijn glimlach en
de gedroomde woorden.

De wereld slaapt,
waar wordt voorbereid
wat je maar bedenken kan.


Levity Peters



Gedicht van de week 02|2014
Adrie Krijgsman is filosoof, dichter, radiomaker en antiquair. 



het leven streelt
het leven steelt

het leven

vanuit de verte
gedragen op de wind

vluchtig

luidt nu een kerkklok Karel uit
die aan zijn laatste reis begint

gestrekt op zijn rug
nooit meer terug


Adrie Krijgsman

 


Gedicht van de week 01|2014
Marcel Vaandrager is dorpsdichter van de vijf dorpen van Werkendam. Onderstaand gedicht schreef hij ter nagedachtenis aan prins Johan Friso.



Losgelaten in de sneeuw.


‘k Heb losgelaten in de sneeuw.

Verscheurd verstrikt geraakt
tussen alles en niet
aan de nachtzijde van de schemering.

‘k Ben steeds ver dichtbij geweest
en zou weer
een koninkrijk loslaten
voor innige aanraking
warmte
koon tegen koon voelen.

Waar ik bijna was
ga ik heen
met nog meer pijn.

‘k Was er eigenlijk al.


Marcel Vaandrager