SLA|Avier

Stichting Literaire Activiteiten Avier

Tien voor Ares Koopman: De weg is vooruit.

1. Dag Ares. Een poffertjeskoning uit Buenos Aires, met wie ik bevriend ben, berichtte me over een gestrande dichter in de Argentijnse hoofdstad. Aan lager wal geraakt, bedelend in de metro, in strijd met de instanties. Zo kwamen we in contact. Maar hoe is dat zo gekomen? Wat ging er aan dit hachelijke avontuur vooraf?  

Dag Jan. Aan dit - wat jij noemt - 'hachelijke avontuur' ging - onder veel meer natuurlijk, want ik, dichter sinds 2002 volgens de mensen die het weten kunnen, ben onderhand zowat pensioengerechtigd - vooraf dat mij van Afrikaanse zijde in Amsterdams Red Light District het verzoek werd gedaan om een koffer met een kilogram cocaïne van Buenos Aires naar Nederland te expediëren.

 

2. En toen sprong je een gat in de lucht en dacht ‘dit is mijn kans’?

Nou, zoiets doe je natuurlijk niet voor je lol. Ik had - heel banaal - het ‘snelle geld’ nodig dat de heren mij in het vooruitzicht stelden, wilde Anita verrassen. We waren plannen aan het smeden: om te beginnen zouden we haar 50e verjaardag, op 6 augustus (De Dag Waarop De Bom Viel), bij haar familie in Accra luister bijzetten met wat zij een Big Party noemde. Aansluitend zouden we een week of zes daar blijven om te kijken of ik het leven daar aan zou kunnen. Zij heeft daar een huis neer laten zetten waar een fors deel van haar Fante-stam in woont - ‘I paid this house with my pussy!’, zo praat ze - en ze heeft daar haar ‘shop’ waar ze van die bedrukte Afrikaanse stoffen verkocht (waarvoor ze overigens en passant een samenwerking op touw had gezet met een fabriek ergens in Twente). Het plan was om een beetje te gaan pendelen tussen wat zij nog ouderwets ‘Cape Coast’ noemt - de oude naam van Ghana - en de Bijlmer. Maar vervolgens kwam ik niet terug - tot op heden. Het liep allemaal een beetje anders.

 

3. Welke heren? En toen Anita zei dat ze haar huisje zus en zo gebouwd had, zwol jouw borst, om met Komrij te spreken, tot slagschipgrootte? Wat liep anders?

 

De heren zijn afkomstig uit Kenia, en voorzien de dames sex-werksters van de cocaïne, waarnaar bij de h.h. hoerenlopers langzamerhand meer vraag is dan naar sex. Het moment waarop Anita dat zei, heb ik beschreven in het hoofdstuk drie getiteld 24-12-12 van de novelle die ik misschien toch liever Een geboren koningin als titel ga meegeven. (De uitgever acht Koningin van geboorte, hoer van beroep commerciëler.)  Het verhaal dat hierin verteld wordt, speelt zich af in de laatste tien dagen van het jaar 2012, en begint dan ook met: 'Het was al bijna licht toen, op de ochtend van de 22e december 'in onze stad', althans in het appartementencomplex Daalwijk in Amsterdam-Zuid-Oost, Nana Esi, de heldin van deze geschiedenis ontwaakte.' (In 'wat voorafging' heb ik mij, met mijn aangeboren neiging tot monomanie, onder meer zo met de moderne Nederlandse literatuur doordrenkt, dat zo'n verwijzing naar Reve er al staat voordat ik er zelf erg in heb.). (Geloof het, of niet). Nana Esi en haar Nederlandse man, een dichter die zij met 'Mister Jakob' aanspreekt omdat hij zich 'Jakob Israel' - later, vanwege de verwarring met Jakob Israel de Haan, 'Jakob Isacson' - noemt, zijn dan weer onder elkaar nadat ze, met haar Ghanese vrienden, vriendinnen en familie zijn 60e verjaardag hebben gevierd. Esi - zoals haar tribe-name ook echt luidt - geraakt dan in een psychose, en toont haar 'Nana Chief' voor het eerst de foto's van haar huis in Accra en schreeuwt het bijna uit: 'Do you think I'm stupid?'

(Ze wordt gehinderd door een minderwaardigheidscomplex, in een hotel in Amsterdam zegt ze een keer tegen de Egyptische manager:

'My husband is a professor, and I am a non-graduate.'). En dan volgt die uitspraak, die de mannelijke hoofdpersoon door de ziel snijdt - ook al omdat hij een huis ziet dat in Nederland de goedkeuring van de welstandscommissie zeker niet had kunnen wegdragen. Kortom, in plaats van zwelling was er toen eerder sprake van krimp. Ik, in de werkelijkheid die aan dit verhaal ten grondslag lag, kromp in elkaar van ellende, van mededogen met deze dappere strijdster, dit slachtoffer van 'child prostitution' dat op haar veertiende, in Ghana nog, door weer andere 'heren' in een kooi - 'als een eenzame aap in haar kooi' - werd gestopt.

Wat anders liep, was dat ik besloot die koffer niet door de douane te loodsen. Kijk, Jan, zo'n drugstransport dient georganiseerd te zijn als ware het een militaire operatie, en daar was in dit geval in de verste verte geen sprake van. Alles wat fout kon gaan, ging fout. En ik kon het weten, want één keer eerder, in januari 2010, deed ik ook zo'n karweitje, ook via Buenos Aires, toen voor Surinaamse Broeders, die hun zaakjes wel goed voor elkaar hadden. Anyhow, toen die Afrikanen in de gaten kregen dat ik niet van zins was op het vliegtuig te stappen, cancelden ze mijn terugvlucht. En daar zat ik. En daar zit ik. En Anita , intussen allang weer terug in de Bijlmer, maar wachten. Schreef ik een keer: 'Nana Wife, Chief is coming soon.' Mailde zij terug: 'Coming soon is tomorrow, Chief.'.

By the way, ik ga me natuurlijk niet met uw interview-regie van 'met de handen in de zakken' bemoeien, maar als ik vragen mag: gaan we het voor het einde van dit vraaggesprek nog ook wel even over mijn altijd-en-eeuwige poëzie hebben (in plaats van over het geslachtsdeel van mijn Eindelijke Vrouw - dat overigens wel degelijk ook in beeld komt in - ik noem het nog maar een keer - het alom, vooral van vrouwelijke zijde, geprezen gedicht The Pinkest Pink)?

 

4. Daar zeg je wat, de poëzie! Neem me niet kwalijk dat ik even afgeleid was. Knal er eens een gedicht uit dat we ons moeten blijven herinneren. Wat is voor jou ultieme poëzie?  


THE PINKEST PINK

 

for anita 'nana esi' coleman

 

i love your feet,

because they're black

on top, and white

on the other side.

 

i love your legs,

because they're strong

and keep you firmly

down to earth.

 

i love your thighs,

because they're softer

than the softest silk.

i love your belly,

because it bears the traces

of two pregnancies.

 

i love your mouth,

because it makes you smile

the way that only you can smile.

 

(i love your smile,

because it makes me forget

everything.).

i love your big, brown,

girlish eyes,

because they give you the looks

of an innocent child

of almost forty-nine.

 

i love the scar

on your face,

because it makes you

even more beautiful

than you would have been

without.

 

i love your hair -

especially when you wear it

the natural afro way.

 

i love your neck, your back,

your arms, your fingers

and your toes,

because they're your -

and nobody else's -

neck, back, arms,

fingers and toes.

 

i love your butt,

because it's just a beautiful

ghanaian woman's butt.

 

i love your breasts,

because both of them

fit perfectly

in one hand of mine.

 

i love the pink

between your legs,

because - because of the black

around it - it is the pinkest

pink i've ever seen

in my entire life.

 

i love your body, love

your soul, i love you

as a whole, i love you,

because you are you

and you are

mine.

 



5. Een verliefd gedicht, met een licht erotische thematiek, geschreven voor een vrouw. Ik heb me een beetje in je kleurrijke levenswandel verdiept en meen dat vrouwen daar een niet onaanzienlijke rol in spelen. Hoe zit dat?

 

Dat zit als volgt, Jan.

Ik ben, gelijk Simon Vestdijk die, zoals jij weet, een 'kind tussen vier vrouwen' was, te midden van vrouwen opgegroeid. Mijn moeder, die vermoedelijk leed aan een postnatale depressie na mijn geboorte, was de eerste jaren van mijn leven een beetje een afwezige moeder. Tegenwoordig zou er voor haar een blik psychotherapeuten zijn opengetrokken, maar dat was er in die vroege jaren vijftig, althans in het eenvoudige milieu waar ik het product van ben, niet bij. Mijn moeder stalde mij bij mijn oma van vaderskant, en daar had ik geluk mee, want dat was een vrouw die in huis nooit iets anders deed dan in haar zetel zitten en verhalen vertellen. Die verhalen gingen veelal over de oorlog, en omdat het steeds dezelfde verhalen waren, was de familie daar wel zo'n beetje klaar mee. Zo niet ik. Ik hing aan mijn oma's lippen, kreeg nooit genoeg van wat zij vertelde, was haar enige publiek op den duur. We bevinden ons nu toch op de kouwe grond der psychologie, dus ik durf hier wel de stelling aan, dat Wilhelmine Koopman-Van der Veen - zo heette zij - de allereerste basis voor mijn latere schrijverschap heeft gelegd. En van diezelfde Kouwe Grond dan ook meteen nog maar dit: mijn vader was amper twintig in het jaar na De Bevrijding, toen 'Europa één groot matras was' en 'alles zoop en naaide', en hij mijn moeder, die 9 maanden (!) en 2 dagen ouder was, zwanger maakte.

 In die dagen 'moest' er dan getrouwd worden, en dit 'moetje' vond plaats op 6 juni 1946, toen mijn moeder Maaike Anna Davidson (‘opa had nooit verteld dat je er zwanger van kon worden’) drie maanden zwanger was. Het kind, het zusje dat ik nooit gekend heb, 'Willy' geheten, werd als Sinterklaascadeautje op 5 december van dat jaar geboren, met een zogeheten 'open ruggetje' (spina bifida), en overleed, zoals mijn vader in de overlijdensadvertentie liet optekenen - 'in de aanvallige leeftijd van vijf weken'. Je kunt je voorstellen dat zijn 21e verjaardag, op 18 januari 1947, niet echt feestelijk verliep. Pas zes jaar later was mijn moeder zwanger van mij, en ze zou 'uitgerekend' wéér op 5 december van mij bevallen.

 

Doodsbang voor een herhaling van de tragedie in 1946 - daar heb je het syndroom, althans volgens Bas Verwey, mijn shrink - slaagde mijn moeder erin mij 18 dagen vast te houden. bijna drie weken, waarin ik mij naar het geboortegewicht van 10 (tien!) pond en 200 gram wist te snoepen. toen was er, in huize Koopman - zoals ik in Een vreemde in Jeruzalem heb geschreven - sprake van 'verdriet en vreugde tegelijk': de boreling bleek er nu wel een 'met alles erop en eraan', maar was geen Willy, geen meisje, maar een jongetje. Een jongetje, dat door zijn moeder een beetje als een meisje werd grootgebracht. Kwam goed uit, want, naar later is gebleken, ben ik een man met een sterk ontwikkelde, vrouwelijke component. René Stoute, die aan 'gender dysforie' leed en uiteindelijk niet anders kon dan zich tot 'vrouw' te laten omvormen, zei een keer tegen mij: 'Kopie' - zo noemde hij mij, lees het laatste verhaal in zijn bundel Bewijs van ontslag maar -, 'jij hebt ook altijd mazzel: ik ben 51% vrouw, en jij maar 49,' Misschien dat daardoor de omgang met vrouwen mij veel gemakkelijker afgaat dan die met mannen.

Is altijd zo geweest: op de Hollandse verjaardagen vroeger bij ons thuis - de mannen in de achterkamer, met bier, jenever, sigaren en Luide Stemmen, de vrouwen in de voorkamer met een advocaatje-met slagroom en Miss Blanche sigaretjes - hield ik het bij de mannen met hun beperkte range aan gespreksonderwerpen (auto's, voetbal en sex) meestal snel voor gezien, en kroop ik bij mijn moeder en mijn tantes op schoot, leerde ik hoe heel anders vrouwen communiceren: meanderend, zijwegen bewandelend, toch altijd weer naar het hoofdonderwerp terugkerend, en vooral: elk lid van de damesclub in haar waarde latend. Sindsdien hou ik van alle vrouwen, en vrouwen - meer dan mannen, gelukkig - houden van mij, omdat ze blijkbaar voelen dat ik mij altijd heb gehouden aan wat mijn moeder mij, zo rond mijn twaalfde, bij wijze van 'Seksjuwelen Voorlichting', in één zin op het hart bond (mijn moeder hield en houd niet van wat zij noemt 'lange prevelementen'): 'Meisjes, jongen, daar moet jij je hele leven heel voorzichtig mee zijn.'

 

6. Naast dichter was je literatuurcriticus en directeur van literair productiehuis De Wintertuin. In 1994 besloot je een hommage te brengen aan een aantal schrijvers, allen toen nog in het rijk der levenden: Hermans, Claus, Mulisch en Reve. De grote vier, zal ik maar zeggen. Wat vond je van hen?

 

De Wintertuin was toen nog geen 'productiehuis', maar 'gewoon' een literatuurfestival, dat wijlen Gijs Gommers - die uit Groningen, waar hij betrokken was geweest bij DoeMaarDichtMaar, naar Arnhem was gekomen om de nieuwe stichting Arnhem Promotion gestalte te geven - en ik hadden bedacht. We begonnen gewoon met een stel andere gekken die in literatuur geïnteresseerd waren, vrienden als Thomas Verbogt, mijn voorganger bij de Arnhemse Courant die de naam 'Wintertuin' bedacht, Ton Verbeeten, criticus bij De Gelderlander, wijlen Frans Kusters, dat soort mensen. De SNS werd hoofdsponsor, de onkreukbare Herman Haarhuis, SNS-VIP, werd voorzitter van het bestuur. Leuke man, die lol had in onze manier van werken. Bij zijn afscheid - dat ongeveer samenviel met mijn afscheid - zei hij niet eerder in zijn leven zulke vergaderingen als die van ons meegemaakt te hebben. Wij bedachten, staande de vergadering, een heel festival, kwam Herman een maand later weer eens kijken, bleken we alles weer veranderd te hebben. De eerste editie was die van 1991, toen nog met een budget van 70 duizend gulden. Twee jaar later was dat al het dubbele, en in 95 liep ik met een kwart miljoen gulden gemeenschapsgeld door Arnhem,- bij wijze van spreken. De SNS was niet te spreken over de bezoekersaantallen . Er moest iets gebeuren, dus ik zette hoog in. IK schreef een identieke brief aan De Grote Vier en bood een avond aan, die de heren zelf mochten invullen. De Wintertuin zorgde voor reis en verblijf  en 3000 gulden honorarium toe. Claske Jaspers, de toenmalige pr-vrouw van De Bezige Bij, had me gezegd: 'Het zijn net kinderen, ze houden elkaar in de gaten, dus je moet ze allemaal precies hetzelfde bieden.'. Als ik me goed herinner, reageerde Hermans het eerst, per kerende post vanuit Brussel zo ongeveer. Hoe dat verder ging, is na te lezen in Een ontmoeting met de Tovenaar. Ik kon er blijkbaar een boek over schrijven. Wat niet in dat boek staat, is dat ik me een hoedje schrok, toen Hermans uitgerekend door mij geïnterviewd wilde worden. Ik, in gesprek met die norse, cynische man, die, in 1978 in NRC, de kachel had aangemaakt met de dagboeken van mijn' Kees Buddingh' ook nog? Ik smoesje verzonnen, zo van, ‘ tja, meneer Hermans, dat gaat niet want ik ben daarvoor te druk met de organisatie van het geheel.' Toen vond hij, weer per brief, dat dan 'het hele feest maar niet door moest gaan', en toen moest ik wel, want ik had over zijn toezegging al zitten opsnoeven in een persbericht. Bleek het een van de aardigste mensen van West-Europa te zijn, die in die tijd ineens een hele serie openbare interviews in Nederland deed (vóór mij, in december 94, met Theo van Gogh in Amsterdam, na mij, in maart 95, met Michaël Zeeman in Tilburg.) Daar ben ik toen nog met Cathrien naar toe gegaan.

Was meteen ook de laaste keer dat ik hem in levenden lijve trof, want een maand later ongeveer overleed hij. 'Gerardje' liet het afweten: had ik ineens Joop Schafthuizen aan de telefoon, dat 'mijnheer Reve verhinderd was, want dat hij aan een roman bezig was'.

Bleven over: De Vlaamse Reus en 'Meneer Mulisch'. Claus werd geïnterviewd door mijn - in die hoedanigheid jammerlijk mislukte - opvolger Jos Joosten. Van dat optreden heb ik niks meegekregen, omdat die avond mijn aanwezigheid in Nijmegen vereist was. (Het festival speelde zich in twee steden af.). Ik weet alleen nog dat ik voor dat optreden even naar Arnhem was gereden, waar Claus in de artiestenfoyer van Schouwburg Arnhem zat te wachten en dat ik toen met iemand van de schouwburg druk in de weer moest, omdat Claus zijn centjes graag handje-contantje ontving. En Harry Mulisch belde mij op een vrieskoude maandagochtend in januari op: 'Ja, meneer Koopman, ik heb hier die brief van u voor me liggen en ik dacht dat we het maar moesten doen.' Ik wist mijn blijdschap`over die toezegging met enige moeite onder stoelen en banken te steken, waarop Mulisch:

'Nou, dan prik ik die brief nu hier boven mijn bureau en dan zien wij elkaar de 7e februari in Arnhem.' In de tussentijd belde hij nog een keer om te vragen of hij wel per directie-auto uit Amsterdam kon worden opgehaald en na het optreden ook weer teruggebracht. Dat werd een klusje voor de directiechauffeur van SNS. Bleek Hermans daar lucht van gekregen te hebben. Wilde die ook ineens van en naar Brussel gehaald en gebracht worden, waar ik hem eerder een eerste-klas-treinreis had aangeboden. Dat heeft Ton Verbeeten, met zijn autootje, toen nog gedaan. En zo was iedereen uiteindelijk tevreden, inclusief de sponsor die mij een blanco cheque aanbood om als leraar te stoppen en voor altijd de 'corporate manager' te worden van het instituut dat De Wintertuin in zes jaar tijd was geworden, maar daar heb ik toen, om redenen die hier niet ter zake doen, vriendelijk voor bedankt. Het was mooi geweest.

 

7. Ik heb Een ontmoeting met de tovenaar met interesse en geamuseerd gelezen, maar kwam geen uitspraak van de meester tegen waarvan ik dacht: “Ja, Hermans ten voeten uit.” Hoe heb jij dit ervaren?

 

Je observatie is juist, je hebt het prachtboek van voorheen de schrijversfirma Koopman& Van Ommen goed gelezen. De Hermans met wie wij die twee dagen in februari 1995 was niet (meer) de Hermans zoals die zich, al image-buildend zoals veel auteurs van na de oorlog, ooit aan zijn lezers had gepresenteerd. (Terzijde: hij beschouwde zichzelf - ook - als fotograaf, had daardoor een speciaal contact met Cathrien, toen hij voor haar camera poseerde, waren zij collega's. Wanneer je goed naar die fotoserie kijkt - en de schetsjes van Cathrien erbij leest - zie je, vooral op de foto's voor De Lachende Foto, een man die die er al bijna niet meer is, ogen die al gericht zijn op 'de overkant' waarvan hij wist dat hij daarnaar op weg was.). Hermans wist dat hij niet lang meer te leven had en had blijkbaar de behoefte nog een keer aan het Nederlandse lezerspubliek te laten zien dat hij helemaal niet zo'n stuurse, cynische, mensenhatende man was als men , op grond van zijn boeken, van hem gemaakt had. Ik geloof dat hij in die laatste maanden van zijn leven wel een keer of vijf, zes zo'n openbaar interview als met mij heeft gedaan. Waarschijnlijk was het ook in het kader van dit 'charme-offensief' dat hij en ik het tijdens onze uren samen met geen woord over Buddingh en de - door Jan Eijkelboom veronderstelde - 'karaktermoord' op de Dordtse Chinees hebben gehad. Ik ben daarom toch ook gewoon blij met het boek, in het bijzonder met drie passages. Die waarin Hermans vertelt over zijn slapeloosheid, hoe hij in Brussel al vroeg voor het raam zit en dan steeds die drie kraaien ziet. (De dood kondigde zich aan - denk dat hij dat ermee wilde zeggen, daarom heb ik het ook in het boek opgenomen). Dan die waarin hij goedmoedig spot met Mulisch, waar ik een uitspraak van Mulisch van twee dagen daarvoor ga aanhalen, en Hermans zegt:

'O, dat hoor ik altijd met bijzonder veel plezier!' En tenslotte die passage - voor mij het hoogtepunt van onze ontmoeting - waarin ik met hem te spreken kom over Au Pair en hem de passage voorleg waarin hij Paulina, de Zeeuwse kunstgeschiedenisstudente in Parijs, die Blonde Stoot van 1.92m die hij de in Parijs levende Nederlandse schrijver met zijn 'hoornen bril' - die hij natuurlijk zelf is - in de Jardin du Luxembourg tegen het lijf laat lopen en haar aan die schrijver laat vragen of hij God (een tovenaar) of de duivel is. Waarop Hermans tegen mij zei, dat het hier de meest autobiografische passage betrof die hij ooit aan het papier had toevertrouwd. Kijk, dat is nou nog eens voer voor letterkundigen, meneer Holtman.

 

8. Je haalt Cathrien van Ommen aan, de fotografe en je toenmalige hartsvriendin. In Een ontmoeting met de tovenaar, zeven mooie portretten, dat moet gezegdook tekst van haar.

“Mijn hand blijft voor eventjes rusten in zijn hals.” Ik ben geen letterkundige, maar meen wel te weten dat hier sprake is van pathetiek. Hoe zie jij dat, die samenwerking met Van Ommen, achteraf?

 

Tja, daar vraagt u mij wat.

Om bij het begin te beginnen: Ik was getrouwd, dat wil zeggen: Ik leefde sinds 1975 eerst ongehuwd samen en wel met De Moeder Van De Kinderen, De Zeer Getalenteerde, Boos Geboren Kunstschilder Eljada van Muijden, die van hetzelfde bouwjaar was als Cathrien en die dan ook jaargenoten waren op de ABK (thans: Artez), de Akademie voor, zoals EeVanEm altijd zei, Beeldige Kunsten aan het Onderlangs te Arnhem. (Elja deed Beeldend Vormen, Vrij Schilderen) en 'Kapie'  (haar meest geliefde koosnaam) Mode. Elja was de feministische beginselen toegedaan, wilde nooit trouwen, kondigde een - uiteindelijk tien jaar in beslag nemende - 'baarstaking' af, wilde toen ineens weer wel kinderen en toen die er eenmaal waren, bleek het handiger te trouwen dan steeds maar de notariskas te spekken voor het zoveelste samenlevingscontract. Enfin, u begrijpt: Ik moest alle geduld dat in mij was, activeren. Het - van alle romantiek ontdane - huwelijk vond plaats in het stadhuis van Arnhem, in de vrieskoude morgen van 21 december 1988. Toen kwam De Wintertuin, het werd november 1994, en ik had een fotograaf nodig. Dat werd mevrouw Van Ommen, die mij op 8 november 94 belde met: 'Ja, meneer Koopman, ik ben niet degene die u denkt dat ik ben.’ (Ik had bij de doka van de academie een papier opgehangen - 'student fotografie gezocht' -, niet wetende dat zij in het kader van scheiding en wederopstanding van die doka gebruikmaakte. Ik was geïntrigeerd - ook door haar enigszins geaffecteerde stemgeluid -, liet haar op mijn kantoor komen, en ik viel in liefde. Na afloop van De Wintertuin liet ik mijn vrouw op 1 maart 1995 weten wat vrouwen altijd al voelen, namelijk dat er Een Ander in het spel was. Elja deed wat ze al eerder eens had aangekondigd te doen: Ze zette zes koffers voor de voordeur van onze 'burgermansvilla' (Stoute-woord) in Arnhem-Zuid en pleurde mijn hele boekenbezit in de garage. Ik mocht het allemaal meenemen naar het 'beau-monde'-appartement van Cathrien aan de Rijnkade. Na precies een jaar daar verhuisden we naar 'Bos In De Buurt' (Kees van Kooten), beleefden Het Sprookjeshuwelijk op 7 september 1996 op het Kasteel Rozendaal (van 'De Bedriegertjes', weetjewel?) - welke verbintenis eind 2007 te gronde ging aan Cathriens behoefte om in alles beter en slimmer te zijn dan ik. Dat is dus ook in De Ontmoeting al binnengeslopen, al had ik daar op dat moment geen erg in. Liefde maakt blind, zoals u wellicht weet. Anyhow, Cathrien bleek toen al te behoren tot De Groep Van Ongelukkigen die ergens heel goed in zijn . Zij had in de hippietijd met haar ex-man  in India gewoond en daar had ze bijvoorbeeld een serie van meer dan 40 weergaloze pastelkrijttekeningen voor elkaar gebokst . Maar Liever Dat Willen Doen Waar Ze Nou Net Niet Zo Goed In Zijn, dus mevrouw moest en zou ook zo nodig 'schrijver' zijn. Ik, in mijn oneindige goed - en verliefdheid zei: ‘Nou, schrijf dan maar op waar jij alleen bij was, met Hermans in dat geïmproviseerde studiootje in De Vereniging.’

Nou, Jan, je wilt niet weten wat voor drama dat in huize Koopman & Van Ommen teweegbracht. Ze kon het niet, dus huilie, huilie. Heb ik haar in de slaapkamer opgesloten.

Mocht ze pas weer bij me komen als ze weer een stukkie af had. Een martelgang was dat. En ik haar per stukje maar de literaire hemel in prijzen. Ik liet het wel uit mijn hoofd ook maar iets van kritiek te laten horen. Vandaar die - door jou weer genadeloos gefileerde – pathetiek, want als Cathrien van Ommen iets is, dan is het dat wel. Maar verder over de 'doden' niets dan goeds, natuurlijk. Laten we het, zo tegen het einde van dit gecorseerde herengesprek, wel netjes houden, vindt U ook niet? Volgende vraag graag. 

 

9. Juist. Terug naar de literatuur. Ik las iets over ‘Alles vergeten’, een omvangrijk boekwerk in delen dat volgend jaar zal verschijnen. Waar gaat het over, wat mogen we verwachten?

 

U - en hopelijk vele lezeressen met u  (Zoals wij allen weten bestaat de doelgroep voor belletrie hoofdzakelijk uit dames tussen de 30 en 60 met een iets meer dan gemiddelde opleiding) mogen verwachten een meer dan vuistdikke, 2000% autobiografische roman, over mij dus, die met ingang van 10 maart in tien achtereenvolgende delen van novelle-achtige omvang (110 pagin a's per deeltje) zal gaan verschijnen. Het zal blijken te zijn, aan het eind van de rit (het laatste deel verschijnt, al dan niet postuum op mijn 65e verjaardag, d.w.z.  op 23 december 2017) Het Boek Waarin Alles Geopenbaard Wordt, mijn Boek Van Het Violet & De Dood, mijn Tandeloze Tijd, mijn Bezonken Rood, mijn Max Havelaar, mijn Discovery of Heaven, zal ik maar zeggen om een paar titels te noemen van boeken van schrijvers die u, Drentse agrariër en dichter zijnde, allemaal niet kent. En het begint zo: (Aura's tafel). Er zat een man aan een tafel. De man was een Nederlandse man van tegen de zestig, en de tafel was de tafel in de comedor (eetkamer) van een huis aan de Calle M numero 23 in de wijk Primavera Secunda in La Vega de la Concepcion.

Laatste vraag? Heb ik nog net even tijd voor, want mijn chauffeur wacht met draaiende motor om mij naar Huis ten Bosch te brengen. Lunchafspraak met ... eh ... u weet wel.

 

10. Tot slot Ares, de poëzie. ‘De poëzie is mijn uniform, schreef je ergens. Dit klinkt strijdbaar, maar ook alsof je er macht of gezag aan ontleent. De poëzie, Ares, zeg het maar…

 

De poëzie, de altijd en eeuwige poëzie, tja, dat is natuurlijk een heel groot onderwerp.

Welnu, als je - zoals u en ik - het lef hebt om jezelf, zoals dat tegenwoordig schijnt te moeten heten, als 'dichter' in de markt te zetten, ben je niet slim bezig wanneer je je niet van tevoren ervan hebt vergewist in welke 'grande tradition' je dan plaatsneemt. Ik bedoel: De Traditie Van Het Nieuwe. Wanneer je er als dichter echt toe wil doen, dien je die zogeheten Nieuwheids-eis aan jezelf te stellen Dit houdt in dat je gedichten schrijft zoals alleen jij die maar had kunnen schrijven, gedichten die 'nergens op lijken' anders dan op die van jou. Het gaat in de literatuur en de andere kunsten 'altijd en eeuwig'  om dezelfde Grote Thema's als Geboorte en Dood en alles wat daar tussen ligt,’als een kind tussen zijn ouders'. Er zijn op dit moment alleen al in Nederland ongeveer een miljoen luitjes die zich verbeelden 'schrijver' of zelfs 'dichter' te zijn, zonder dat ze van dit alles enig benul hebben. Dat zie je ook aan het werk van al deze zwoegers, die hun uiterste best doen om literatuur te produceren die juist zoveel mogelijk op Literatuur lijkt : De literatuur zoals ze die (hebben leren) kennen en die ze ook bewonderen vaak. Dat zie je aan hun werk af, het leven loopt er voor geen meter doorheen. Ik reken dit tot de Afdeling Kunstnijverheid en daar wil ik niet bijhoren. Ik heb tot nu toe geprobeerd zo te schrijven dat ik mag durven te zeggen, met een kleine variant op Cor Vaandrager, een door mij zeer gewaardeerde dichter :

'Ik ben gewoon veel te nieuw en te goed voor al die anderen. Ik leg de lat hoog, wil me meten met De Grote Kanonnen, zoals , ik noem maar een dwarsstraat, Kavafis, Pessoa, Drummond de Andrade, Neruda natuurlijk en, in ons landje, Nijhoff, Kouwenaar, Achterberg, Lucebert et tutti quanti.

 

Heel vaak lukt mijn Fosbury-flop dus niet, heel soms wel, Dat is dan Geluk voor mij. Niet 'geluk hebben' of 'meer geluk dan wijsheid', nee, dan staat er ineens iets dat mijzelf met verbazing vervult. Dat Geluk is mij sinds 2002 nu een keer of vier, vijf deelachtig geworden. In het eerder aangehaalde The Pinkest Pink, bijvoorbeeld, in Geen Mooier Geluid, het gedicht dat ik op 16 februari 2009 zomaar ineens over mijn geboortedorp schreef, in Het Wolvenbos, in Natuurmonument ook wel enigszins, maar vooral toch in het hier ook al eerder ter sprake gebrachte Kostbaar Gesteente. Misschien mag ik dat, tot besluit van dit onderhoud, nog even voorlezen? Fijn. Een korte inleiding is dan nog wel op z'n plaats. Ik sprak ooit met Max Dendermonde. Die zei over zijn grote succes: ‘De wereld gaat aan vlijt ten onder.’ Dat hij eigenlijk zijn hele verdere schrijversleven bezig was geweest 'dat boek kapot te schrijven'. Ik heb die neiging met Kostbaar Gesteente niet. Ik snapte wel wat hij bedoelde, want daarvoor houd ik teveel van die tekst, die voor mij de weg naar mijn eigen dichterij heeft geopend en geplaveid. Aan de oppervlakte gaat het in dat gedicht om een man die door een hoerenbuurt loopt en zich vergaapt aan al die prachtige dames die zich ook nog eens geweldig mooi opgedirkt hebben. Toen ik het af had, toen het er stond, dacht ik: ‘Mijn God, waar gaat dit in uws Heren naam over en toen wist, uit ervaring, dat het geknald zat met die tekst. Dat zijn nu eenmaal de beste: Je kijkt ernaar en denkt niet alleen 'waar gaat dit in vredesnaam over', maar ook ‘ben ik het, die dit geschreven heeft?’ Dan heb je dus blijkbaar een bericht uit het ongerijmde doorgegeven gekregen. En dat, meneer Holtman, dat is nu poëzie, de enige echte, ware poëzie, althans volgens: Ares Koopman, IJmuidens Dichter van:

 

 

 

ik was je wezen zoeken, r,

in die semi-buitenwijk aan de rand

van het centrum van de stad, en zie:

 

daar zag ik je zitten, je droeg

een soort baby-doll van blauw-paarse

tule, je zat

op een barkruk, een beetje

in de achtergrond,

waardoor ik gezicht niet helemaal

goed kon zien, je was

een zwarte vrouw, zwart

meisje eerder nog, en om je middel

droeg je een dun, zwart koordje

dat het minuscule stukje zwarte stof

op z'n plaats hield

dat het voorste deel van je string

uitmaakte en dat aan de linker-,

rechter- en bovenkant iets van je zwarte,

enigszins  kroesende schaamhaar

vrijliet, je was mollig, een beetje lui-

slonzig en je toonde je

niet bepaald tevreden

met het leven

zoals je het op dat moment leidde,

je was blank en van de balkan

afkomstig, je had mooie, volle

borsten en een  perfect-plat buikje,

je gele kanten setje van broekje

en beha matchte heel mooi

met je cappucchinokleurige

skin die keer dat jij, zittend

in je stoel voor het raam,

in het late, lage licht
van de pal bij jou naar binnen

schijnende novembermiddagzon,

in slaap gesukkeld was, je droeg

een wit-kanten stola, een wit-kanten

beha, wit-kanten kousen

met wit-kanten hold-ups

en een wit-kanten vlinder-

broekje met een abstract motief

erin verweven  -

borsten

als stevige appelen

had je die in je zwarte push-up

rustig te rusten of - als het zo uitkwam -

zachtjes  te trillen lagen

en je wist je getooid

met een volle bos

heel donkerblond en heel lang

en heel weelderig haar

dat praktisch  tot aan je kontje

reikte, je zei

dat je Kostbaar Gesteente heette,

je pakte

een groene barclay

uit het pakje dat je altijd bij je

in de vensterbank had liggen,

je stak

met een sierlijke hand-

beweging de brand erin,

je zette

je ghettoblaster aan, wierp

je korenbloemblauwe, met gele sterren

en zonnen bezaaide kimono van je af,
je begon

op de maat van de dreunende house

onbeschaamd te dansen, onbeschaamd 
met je culo te draaien, je liet

het draaien weer in dansen overgaan,

je pakte

de door mij die avond vers

van de straat opgeraapte kastanje

die ik op het kastje naast je wastafel

had neergelegd, je wilde hem

aan mij teruggeven,

maar toen ik zei

dat die voor jou was

en dat ik die speciaal voor jou

had meegebracht, toen

toonde jij, die altijd honderduit kwebbelde,

je even  sprakeloos en stil, en toen

begonnen je ogen

dan toch nog te stralen - je was eerst

nogal chagrijnig en afwijzend geweest  -

en in de gauwigheid

van het weggaan

zei ik nog

en vroeg ik nog:

wat een mooie steen

heb je daar

om je hals

hangen  -

is dat jade?

 

Jan Holtman in gesprek met Ares Koopman, juni 2014